jonge gekraagde Roodstaart


Een jonge gekraagde Roodstaart gespot in de Gaas.

De gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) is een zangvogel uit de familie Muscicapidae (vliegenvangers). Het is een trekvogel die broedt in Europa en in Afrika overwintert.
De vogel is 13 tot 14,5 cm lang. Het is een vrij slanke, onopvallende vogel die zich meestal ophoudt in het gebladerte. Zowel mannetje als vrouwtje hebben een roestrode staart die vaak trilt als ze zitten. Het mannetje heeft een oranje borst en een zwart “gezicht” met een witte wenkbrauwstreep die doorloopt tot op het voorhoofd. De rug is leigrijs. Het vrouwtje is vaag oranje tot beige op de borst en grijsbruin op de rug.
Het leefgebied bestaat uit halfopen landschappen met oude bomen afgewisseld door struikgewas, oud dennenbos, parken en grote tuinen.[2] In 2004 werd de wereldpopulatie geschat op 20,4 tot 48 miljoen individuen en dit aantal neemt toe. Daarom staat de gekraagde roodstaart als niet bedreigd op de internationale Rode Lijst van de IUCN.
Volgens SOVON wisselde in de periode 1990-2007 het aantal broedparen sterk, zo was er tussen 1998 en 2005 sprake van een daling, maar daarna steeg het aantal weer. Rond 2007 broedden er nog ongeveer 26.500 paar in Nederland.[4] De gekraagde roodstaart staat niet op de Nederlandse Rode Lijst. De soort is op de zandgronden anno 2015 redelijk stabiel. In het westen van Nederland komt de soort hoofdzakelijk in de duinen voor. Hij neemt daar de laatste jaren in aantal toe en is plaatselijk een algemene broedvogel. De soort staat op de Vlaamse Rode Lijst als kwetsbaar.

Bron Wikipedia foto Tonnie Verheijden

Koninginnenpage in de Gaas

De Koninginnenpage is weer op bezoek geweest in de Gaas.

De koninginnenpage (Papilio machaon) is een vlinder uit de familie van de pages (Papilionidae). De koninginnenpage heeft een voor een page relatief grote spanwijdte tot 75 millimeter, en is een van de grootste vlinders die in België en Nederland wordt gevonden. De vleugels hebben overwegend gele kleuren en daarnaast een opvallende zwart-gele tekening met blauwe accenten, een rode vlek aan de achtervleugel en een langwerpig, zwart gekleurd vleugel aanhangsel dat de vleugelstaart of -slip wordt genoemd.

De koninginnenpage heeft een zeer groot verspreidingsgebied in vergelijking met andere vlinders. De vliegtijd in België en Nederland is van maart tot en met oktober. De temperatuur is een belangrijke factor voor het voortplantingssucces van de vlinder; in warme jaren zijn er meer generaties dan in koele jaren. In Groot-Brittannië komt meestal één generatie per jaar voor en in warme jaren twee, in Nederland zijn twee generaties gebruikelijk, in warmere jaren kan dit oplopen tot drie generaties. Na warme lentes worden er beduidend meer koninginnenpages waargenomen in Nederland. Een droge lente leidt echter tot minder vlinders.

Bron: Wikipedia –  Foto Tonnie Verheijden

Dophei

De Dophei staat weer in bloei in de Gaas.

De gewone dophei (Erica tetralix) is een vaste plant uit de heidefamilie (Ericaceae). De plant komt voor op voedselarme, vochtige plaatsen, zoals zand-, moeras- en veengrond. De plant groeit zowel op zonnige als op schaduwrijke plaatsen, in duinvalleien en in bossen. De soort komt in Europa voor in de landen langs de Noordzee en de Oostzee. In Nederland komen in Drenthe nog grote heidevelden met gewone dophei voor, zoals in het Nationaal Park Dwingelderveld. Deze heidevelden kunnen alleen in stand gehouden worden door regelmatig plaggen, waardoor de grond schraal blijft. Vroeger staken de boeren hun heideplaggen het liefst op dopheidevelden en gebruikte de plaggen als stro in hun potstallen. Bij een wat rijkere grond treedt vergrassing op. Ook is verbraming een probleem.

De plant is een dwergstruik, die 10-60 cm hoog kan worden. De soort bloeit van juni tot in oktober met roze-rode bloemen.

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Groene Specht en een Grote bonte Specht

Groene specht en een Grote bonte Specht,

2 Jonge Spechten ‘n Groene specht en een Bonte Specht samen in een berkenboom in de Gaas.

De groene specht (Picus viridis) is een vogel die tot de familie spechten (Picidae) behoort. Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in het grootste deel van Europa en komt ook voor in het uiterste westen van Azië. De specht is eenvoudig te herkennen aan zijn groene verenkleed, zijn zwart met rode koptekening en zijn typische, luide roep. De groene specht voedt zich voornamelijk met mieren, die hij voornamelijk op de grond zoekt. In tegenstelling tot veel andere spechtensoorten roffelt de groene specht slechts weinig op bomen.

De grote bonte specht (Dendrocopos major) is een vogel die tot de familie spechten (Picidae) behoort. Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in een groot deel van het Palearctisch gebied. Hier broedt hij in bossen en allerlei cultuurlandschappen. De grote bonte specht zoekt zijn voedsel in vrijwel alle vegetatielagen. In de zomer voedt hij zich voornamelijk met insecten en andere ongewervelden, in de winter vooral met plantaardig voedsel, zoals zaden van naaldbomen.

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Kolibrievlinder

De Kolibrie bracht een bezoekje in onze tuin bij een witte vlinderstruik.

De Kolibrievlinder is te herkennen aan de grijze tot bruine voorvleugels met twee van elkaar af gelegen donkerbruine, dunne en enigszins grillige strepen aan de bovenzijde. De achtervleugels hebben een oranje kleur aan de bovenzijde. De spanwijdte (of vlucht) van de vleugels is ongeveer 5 centimeter.

De Kolibrievlinder komt voor in Zuid-Europa en Noord-Afrika. Het is een zeer snelle soort, de kolibrievlinder is een van de bekendste trekvlinders. In de zomer vliegen grote aantallen kolibrievlinders naar het noorden en westen van Europa en ‘s winters trekken de vlinders naar zuidelijkere delen van Afrika. De vlinder wordt jaarlijks ook in België en Nederland aangetroffen. Het verspreidingsgebied van de soort strekt zich uit tot in noordelijk Scandinavië. De vlinder wordt beschouwd als een algemeen voorkomende en talrijke soort die niet wordt bedreigd.

De Kolibrievlinder beschikt over een lange tong en is in staat om stil te hangen in de lucht bij een bloem tijdens het opzuigen van nectar. Omdat de vlinder hierdoor doet denken aan een kolibrie heeft de soort de Nederlandstalige naam kolibrievlinder gekregen. In de Nederlandse taal wordt de kolibrievlinder ook wel meekrapvlinder, onrustvlinder of onrust genoemd. De naam meekrapvlinder slaat op de plant waarvan de meeste rupsen leven; meekrap. De naam onrustvlinder is te danken aan het zeer snelle vlieggedrag.

Bron: Wikipedia Foto: Tonnie Verheijden

Appeltak Rups

Appeltak,

De appeltak (Campaea margaritaria, syn. Campaea margartitata) is een nachtvlinder uit de familie van de spanners. De vlinder heeft een spanwijdte van 42 tot 55 millimeter en is daarmee een grote vlinder uit deze familie. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

De vlinder vliegt in twee generaties, de eerste in mei en juni en de tweede in augustus. De rups heeft verschillende loofbomen als waardplant, voorbeelden zijn eik, berk, prunus en meidoorn.

Rups: augustus-mei. De soort overwintert als jonge rups, plat tegen een twijg van de waardplant aangedrukt. In tegenstelling tot de meeste spannerrupsen heeft deze soort één paar naschuivers en twee paar buikpoten.

Bron Wikipedia  foto Tonnie Verheijden

bruin Zandoogje

Een bezoekje van een bruin Zandoogje (man) gekregen, de volgende generatie vlinders komen er nu aan.

Het bruin zandoogje heeft een voorvleugellengte van 21 tot 28 millimeter. Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje. Bij het mannetje is de bovenkant van de vleugels bruin. In de vleugelpunt van de voorvleugel bevindt zich een zwarte “oogvlek”. Bij het vrouwtje bevindt zich op de voorvleugel een oranje veld, en heeft de oogvlek meestal een witte kern. Verwarring met het oranje zandoogje is mogelijk, maar bij het vrouwtje van het bruin zandoogje zit geen oranje op de achtervleugel, of heel weinig, terwijl bij het oranje zandoogje de achtervleugel oranje met een bruine rand is. De achterrand van de achtervleugel is gekarteld.

De onderkant van de achtervleugel is lichtbruin, de buitenste helft is meestal wat lichter van kleur. In dit wittige veld bevinden zich enkele kleine zwarte soms oranje omrande vlekjes. Bij het oranje zandoogje is de onderzijde van de achtervleugel duidelijk contrastrijker. De bovenvleugel is oranje met een bruine rand, en in de vleugelpunt een zwarte oogvlek met een of soms twee witte puntjes.

Bron: Wikipedia –  Foto Tonnie Verheijden

Platbuik Libelle

Heel de morgen bleef deze Platbuik Libelle (vrouwtje) bij hetzelfde takje rond zweven en dan weer even uitrusten waardoor ik de foto’s kon maken.

Platbuik Libelle is 39-48 mm een Forse libel, die extra groot oogt vanwege het zeer brede achterlijf. Zowel voorvleugels als achtervleugels aan de basis met donkere vlek. De aders in de donkere vlekken zijn opvallend geel. Schouders met crèmekleurige streep. Mannetje: achterlijf na het uitsluipen oranje, met gele zomen aan de segmentranden. Na enige tijd raakt het achterlijf blauw berijpt, waarbij alleen de gele zomen langs de segmentranden nog zichtbaar blijven. Bij oude mannetjes verdwijnen ook de gele zomen onder de blauwe berijping, waardoor het achterlijf geheel blauw wordt. Vrouwtje: achterlijf na het uitsluipen vergelijkbaar met mannetje: oranje met gele zomen langs de segmentranden. Bij uitgekleurde vrouwtjes is het oranje verkleurd naar bruin, terwijl de gele zomen zichtbaar blijven. Erg oude vrouwtjes kunnen enige blauwe berijping op het achterlijf vertonen, maar zelden zo uitgebreid als bij het mannetje. Vrouwtjes en jonge mannetjes: in het achterlijf zijn vaak opvallende luchtbellen zichtbaar.

Bron: Vlinderstichting.nl  Foto: Tonnie Verheijden

Groene Bladsnuitkever

Groene Bladsnuitkever,

Een groene Bladsnuitkever wil je beslist niet in je tuin hebben, ze eten alle jonge blaadjes en de wortels op. Ze zijn heel klein en wel mooi om een foto te zetten.

De groene bladsnuitkever is een slanke, langwerpige snuitkever van zeven tot negen millimeter lang. Het exoskelet is bedekt met glanzende ovale schubben. Deze zijn meestal goudgroen, maar de kleur kan variëren van blauw tot groen of koperrood. Deze schubben kunnen makkelijk worden verwijderd, waardoor beschadigde exemplaren bijna zwart kunnen lijken. Het voorste dijbeen heeft een opvallende tand. De larve is tot acht millimeter lang, heeft een crèmewit lichaam en een donkere kop.[2]

De groene bladsnuitkever kan verward worden met de grote bladsnuitkever (Phyllobius glaucus). De schubben van deze verwante kever zijn echter spits en langwerpig en de poten zijn geheel of gedeeltelijk helder geel of roodachtig geel.

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Huismus

 

De huismussen hebben nu hun zomerkleed aan, ze zijn volop aanwezig in de Gaas.

De huismus eet voornamelijk zaden en insecten. De zang van het vogeltje beperkt zich doorgaans tot getjilp. De huismus beweegt zich vliegend of hippend voort. De mus is een standvogel: hij blijft doorgaans rond dezelfde plek wonen. Het mannetje is duidelijk te onderscheiden van het vrouwtje, omdat de eerste zwarter en bruiner getekend is.

Mannetjes zoeken vanaf januari geschikte nestgelegenheid en richten dat met droog gras enigszins in. Dat is meestal een aantal nestplekken vlak bij elkaar. Een mannetje dat zijn nestbouw begonnen is, is herkenbaar aan de zwart verkleurde snavel, die vanaf januari is te zien. Zijn de potentiële nesten aantrekkelijk genoeg, dan wordt er een vrouwtje bij gezocht door de lokroep te uiten zoals die op deze pagina te horen is, maar ook door in het nest te zitten en daarvandaan geluiden te laten horen als van jonge mussen. Al vanaf januari tonen vrouwtjes hun interesse in bepaalde nesten met bijbehorend mannetje. De uiteindelijke keus voor een bepaald nest kan op zich laten wachten, onder andere doordat een baltsend mannetje een makkelijke prooi is en om die reden zomaar verdwenen kan zijn. Het vrouwtje kiest de uiteindelijke plek uit de aangeboden plaatsen. Vanaf dat moment bouwt het mussenpaar gezamenlijk het nest verder af. Daarin legt het vrouwtje 1 tot 9 eieren, maar vaak 4. Na ongeveer 12 dagen broeden komen de eieren uit. Als de kuikens uit het ei komen, zijn ze nog naakt en blind (zie foto) en wegen niet meer dan 3 gram. Zodra het even donker en dan weer licht wordt – zoals gebeurt wanneer de ouder vogel in de invlieg-opening van het nest komt zitten – sperren ze de nog relatief grote bek wijd open in de hoop voedsel te krijgen. Gedurende deze eerste week worden de kuikens door beide ouders met klein dierlijk voedsel gevoerd. Afhankelijk van de beschikbaarheid van insecten wordt er eerder of later over gegaan op plantaardig voedsel. Hoe langer insecten aan de nestjongen gevoerd worden, hoe meer kans dat de jongen gezond en in leven blijven. Na ongeveer twee weken vliegen de jongen uit. Ze blijven hierna nog enige tijd afhankelijk van de zorg van de ouders en worden nog regelmatig gevoerd. De jongen zijn in staat voor hun eigen voedsel te zorgen zodra de snavels hard genoeg zijn om zaden mee te pellen. In Nederland zijn de eerste uitgevlogen jonge huismussen, een aantal jaar op rij, begin april waargenomen.

Bron Wikipedia – Foto: Tonnie Verheijden