Scheefbloemwitje

Vandaag weer het Scheefbloemwitje bij ons in de Tuin, zo te zien was ze eitjes aan het afzetten.

Kenmerken vlinder

Verschillen tussen het klein koolwitje en het scheefbloemwitje: bij het klein koolwitje is de zwarte vlek op de voorvleugel rond, bij het scheefbloemwitje rechthoekig en groot. Achterkant middenstip is hol; trek je een gedachtenlijntje tussen die vlek en de rand van de zwarte puntvlek, dan loopt die schuin naar boven bij het klein koolwitje en min of meer recht bij het scheefbloemwitje; de vleugelpunt van het klein koolwitje is spits, bij het scheefbloemwitje is hij meer afgerond. Voor de onderkant: bij het scheefbloemwitje is de bestuiving aan beide kanten van de middencel ongeveer even dicht, terwijl die bij het klein koolwitje aan de onderrand van de middencel duidelijk verdicht is.

Zeldzaamheid

Het scheefbloemwitje is een relatief nieuwe soort in Nederland. In 2015 werden de eerste waarnemingen gedaan in Limburg. In 2016 werd de soort op veel meer plaatsen in Limburg aangetroffen. In 2017 kwamen de waarnemingen weer wat noordelijker uit Limburg tot aan Arcen en ook uit Twente (waarschijnlijk vanuit het oosten binnen gekomen). Op 25 september 2017 werd het scheefbloemwitje gefotogafeerd in Wageningen. Uit de publicaties over de sterke uitbreiding in Duitsland komt wel naar voren dat vooral de septembergeneratie een sterke trekdrang heeft en juist dan de grootste afstanden aflegt. Deze waarneming uit Wageningen is zo’n 70 km verwijderd van Arcen en zelfs 90 vanaf de locatie bij Enschede. Het lijkt waarschijnlijk dat ook tussen deze plaatsen scheefbloemwitje aanwezig is.

Waarneming goedgekeurd door de Vlinderstichting

Bron: vlinderstichting.nl  Foto’s: Tonnie Verheijden

kleine Vuurvlinder

 

kleine Vuurvlinder

Kleine Vuurvlinder in de Gaas tegengekomen.

De kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas) is een vlinder uit de familie Lycaenidae (de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes).

De bovenzijde van de voorvleugel is oranje met onregelmatige zwarte vlekken en een bruine rand. Aan de onderzijde is de tekening vergelijkbaar, maar met een licht grijsbruine bruine rand en lichter oranje. De achtervleugel is aan de bovenzijde bruin met wat zwarte vlekken en een oranje veld bij de achterrand. De onderzijde is licht grijsbruin en heeft een heel onduidelijke tekening: hieraan is de soort in Europa gemakkelijk van andere vuurvlinders te onderscheiden. Bij sommige ondersoorten buiten Europa is echter een duidelijke oranje band langs de achterrand van de vleugel te herkennen.

Het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke exemplaren is niet zo groot: aan de onderzijde zijn de zwarte vlekjes op de voorvleugel van het vrouwtje groter en meer ongeordend.

In zeer kleine aantallen worden exemplaren waargenomen met een lichtgele of witte in plaats van het oranje tekening.

Met een voorvleugellengte van rond de 13 millimeter is de kleine vuurvlinder een vrij kleine vlinder.

Bron Wikipedia   Foto Tonnie Verheijden

Bruin Zandoogje

Een Bruin Zandoogje tegengekomen in de Gaas, eerst komen de Bruine Zandoogjes en daarna de Oranje Zandoogjes.

Het bruin zandoogje heeft een voorvleugellengte van 21 tot 28 millimeter. Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje. Bij het mannetje is de bovenkant van de vleugels bruin. In de vleugelpunt van de voorvleugel bevindt zich een zwarte “oogvlek”. Bij het vrouwtje bevindt zich op de voorvleugel een oranje veld, en heeft de oogvlek meestal een witte kern. Verwarring met het oranje zandoogje is mogelijk, maar bij het vrouwtje van het bruin zandoogje zit geen oranje op de achtervleugel, of heel weinig, terwijl bij het oranje zandoogje de achtervleugel oranje met een bruine rand is.

De achterrand van de achtervleugel is gekarteld.

De onderkant van de achtervleugel is lichtbruin, de buitenste helft is meestal wat lichter van kleur. In dit wittige veld bevinden zich enkele kleine zwarte soms oranje omrande vlekjes. Bij het oranje zandoogje is de onderzijde van de achtervleugel duidelijk contrastrijker. De bovenvleugel is oranje met een bruine rand, en in de vleugelpunt een zwarte oogvlek met een of soms twee witte puntjes.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Steenrode Heidelibel


Steenrode Heidelibel
De steenrode Heidelibellen vliegen weer over de heide in de Gaas.

&nbspDe steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum) is een echte libel uit de familie van de korenbouten (Libellulidae). De libel wordt 35 à 40 mm lang en komt voor in vrijwel heel Europa. In Nederland is het een algemene soort in de nazomer. Bijzondere kenmerken zijn de gestreepte poten en een ‘hangsnor’.

De poten van de steenrode heidelibel zijn zwart met gele strepen. Dijen van de voorste poten meestal tweekleurig: zwart-geel, soms met nog een zwart veegje in het geel. Het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) loopt langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘hangsnor’). Het achterlijf van het mannetje heeft een subtiele, maar meestal duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf, meestal iets donkerder dan de bruinrode heidelibel, maar lichter dan de bloedrode heidelibel. De zijkant van het borststuk verkleurt naar bruin, met vage lichtere delen. Jonge mannetjes en vrouwtjes hebben een geel achterlijf, later bij de vrouwtjes verkleurend tot bruin. Aan de zijkant van het achterlijf staan zwarte streepjes, die geen doorlopende streep vormen. De legschede van het vrouwtje is opvallend zichtbaar en staat in zijaanzicht haaks van het achterlijf af.
De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 35 en 40 millimeter; de larve is 15-19 mm lang.
De vliegtijd van de steenrode heidelibel is in de nazomer van begin juni tot half november, met een piek van eind juli tot half september.

De steenrode heidelibel heeft een eenjarige levenscyclus en overwintert als ei. De eieren komen in het voorjaar uit, waarna de larven zich snel ontwikkelen. De larven zijn jagers en leven tussen waterplanten op een modderige bodem van kleine ongewervelden als muggenlarven. Uitsluipen vindt plaats van begin juni tot eind september, met een piek van eind juli tot begin september. Jonge dieren zijn in de wijde omtrek van het voortplantingswater aan te treffen, zittend en jagend op kleine insecten in ruige vegetatie. Geslachtsrijpe mannetjes vliegen bij het water en gaan regelmatig zitten op uitstekende stengels in de oevervegetatie. Ze speuren naar vrouwtjes voor de paring. Mannetjes die dichtbij komen worden meestal verjaagd. De eitjes worden vliegend in tandempositie door wippende bewegingen van het onderlijf afgezet, in het water of op modder vlak bij het water. Soms worden meerdere ei-afzettende tandems op één plaats tegelijk waargenomen.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Groene Specht

De groene Specht laat zich weer zien in de Gaas, ondanks dat de lucht grauw was, is het toch mooi om zien te zien.

De groene specht (Picus viridis) is een vogel die tot de familie spechten (Picidae) behoort. Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in het grootste deel van Europa en komt ook voor in het uiterste westen van Azië. De specht is eenvoudig te herkennen aan zijn groene verenkleed, zijn zwart met rode koptekening en zijn typische, luide roep. De groene specht voedt zich voornamelijk met mieren, die hij voornamelijk op de grond zoekt. In tegenstelling tot veel andere spechtensoorten roffelt de groene specht slechts weinig op bomen.

Het verenkleed van een juveniel is matter en bleker gekleurd dan die van een volwassene. De kop, hals en onderzijde zijn bedekt met donkere onregelmatige vlekken en strepen en de bovenzijde en vleugels hebben witte vlekken. De rode kopkap is vaal en vaak bedekt met grijze vlekken. De donkere koptekening is vaak moeilijk te onderscheiden. Bij vliegensvlugge mannetjes kunnen al enkele rode veren in de baardstreep te zien zijn.

De eerste rui begint reeds enkele weken na het uitkomen van de eieren en is na ongeveer vier maanden afgerond. In de late herfst hebben juvenielen al het verenkleed van een volwassen vogel.

Bron: Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Schaapskudde in de Gaas

hdrpl

De Schapen van de Lachende Ooi zijn weer aan het grazen op de Heide in de Gaas.
Overdag is er een Herder met zijn of haar honden aanwezige op de heide, u ben altijd welkom om gezellig een praatje met de Herders te komen maken of gewoon met z’n alle naar de schaapjes kijken.
Naast de Lachende Ooi is er nu ook een mooie educatieve Boerderij gerealiseerd waar je straks naar toe kunt in je vrije tijd.
 
           Educatieve Boerderij 
Natuur, ontmoeten, leren en beleven
Op de grens van Loon op Zand en Tilburg, midden in landschapspark Pauwels, staat de Educatieve Boerderij Pauwelshoeve.
Hier bouwen vrijwilligers aan een natuur-en-mensen-ontmoetingsplek in een gevarieerd landschap.
Een oude stal wordt verbouwd tot ruimte voor cursussen, workshops en excursies. Rondom de hoeve komen volop bloemrijke graslanden en bloemrijke akkers.
Het heet niet voor niets Educatieve Boerderij, want schoolklassen en andere bezoekers kunnen er van alles leren over duurzaamheid, natuur, landschap, cultuurhistorie, en natuurlijk over wol en schapen.
De boerderij is ook de thuisbasis van de schaapskuddes van De Lachende Ooi. De schapen vormen met hun begrazing een van de pijlers van natuurbeheer in de omgeving.
Dit wordt een mooie plek voor recreatie en beleving. Kom kijken, doe mee!
Nu is er nog niet veel te doen voor bezoekers. De educatieve ruimte en de moestuin, de bloemenweides en boomgaard, het is allemaal in de maak.
Houd onze website www.educatieveboerderij.nl  in de gaten voor de activiteiten die er al  plaatsvinden.
Bron: Educatieve boerderij – Bart van Ekkendonk   Foto Tonnie Verheijden

Knobbelzwaan

De Knobbelzwaan is in Love.

De knobbelzwaan (Cygnus olor) is een soort zwaan. Hij is een vertrouwde verschijning in plantsoenen en op meren. Hij leeft voornamelijk van waterplanten, waar hij met zijn lange hals naar grondelt, maar hij eet ook gras.

De knobbelzwaan kan een spanwijdte van 2,40 meter bereiken en is daarmee de grootste watervogel. Hij is 140 tot 160 cm groot. Met zijn lange nek kan hij ver onder water reiken. Met 10 tot 12 kg behoort de knobbelzwaan tot de zwaarste vliegende dieren. Hij is ongeveer even groot als de wilde zwaan, maar veel groter dan de kleine zwaan. De knobbelzwaan is wit en heeft een oranjerode snavel. De kop en hals hebben een lichtgele schijn. De onbevederde huid aan de snavelwortel en om het oog, onder de voorhoofdsknobbel, is zwart. Die voorhoofdsknobbel is bij mannetjes heel opvallend. Ook de poten zijn zwart. De ruglijn is sterk gebogen. De hals wordt bijna altijd in een sierlijke S-vorm gehouden. Die hals heeft het grootste aantal halswervels van alle vogels. De kop wordt altijd iets omlaag gebogen. De snavel is relatief breed. Er is weinig maar duidelijke seksuele dimorfie(het mannetje en het vrouwtje zien er bijna hetzelfde uit). Het mannetje is groter, hij heeft ook een zwaardere nek. Zoals reeds gezegd heeft het mannetje een knobbel boven de snavel. In de lente zwelt die knobbel aan en de snavel wordt roder.

De knobbelzwaan maakt gorgelende en blazende geluiden, al zijn die niet vaak te horen. In de vlucht maken de vleugels een laag, zingend geluid dat wordt veroorzaakt door de wind die erlangs strijkt. De knobbelzwaan die op het nest wordt gestoord, maakt een sissend of knorrend geluid. Onvolwassen vogels maken een zwak, fluitend geluid. De contactroep is een zelden gehoord meeuwachtig ga-oh.

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Vlaamse Gaaien

Jonge Vlaamse Gaaien wachten willen nog steeds gevoerd worden door hun ouders.

Voedsel vindt de Vlaamse gaai in bomen en struiken, in de lucht en op de grond; het betreft een breed spectrum van dierlijk en plantaardig dieet: insecten en ongewervelden (waaronder veel plaagdieren), eikels, beukennootjes, hazelnoten en andere zaden en noten, vruchten als bramen, kersen, frambozen en lijsterbessen. Ook kleine of jonge zangvogels en eieren behoren tot het dieet, evenals kleine knaagdieren. Met de sterke snavel hakt de gaai gaten in harde omhulsels als slakkenhuizen, notendoppen en eierschalen en doorwoelt hij bodem, dierenpoep en menselijk afval.

De eik is afhankelijk van de gaai voor het verspreiden van eikels: de gaai vervoert ze in zijn keel en tussen zijn snavel naar plaatsen met een zachte ondergrond, waarna hij ze in de aarde duwt. Zo legt hij een wintervoorraad aan. Hij vergeet alleen een aantal plekjes. Wat niet teruggevonden wordt, kan uitgroeien tot een nieuwe eik. Om deze reden wordt de gaai ook wel ‘de grootste bosbouwer’ genoemd. De Duitse naam voor de gaai (Eichelhäher) typeert het gedrag. De wetenschappelijke naam Garrulus glandarius valt vrij te vertalen als voortdurend krassende eikel zoeker.

De gaai bouwt zijn nest het liefst in bomen en legt eenmaal per jaar 5 tot 7 eieren, van half april t/m mei.

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Ransuil

Ransuil,
4 Jonge Ransuilen gespot,   Ze zaten in een dennenboom eentje maakte een misstap en kwam op de grond terecht
Opvallend aan het uiterlijk van de ransuil zijn met name de lange oorpluimen, die overigens geen echte oren zijn. Zijn naam dankt hij aan de gelijkenis met een ‘ranse’, Middelnederlands voor ‘muts met een kap die in plooien afhing’. De ogen zijn oranje-geel. Verwarring met de oehoe, die ook oorpluimen heeft, is mogelijk maar deze laatste is aanzienlijk groter dan de ransuil. Het verenkleed is aan de bovenzijde roestgeel met zwartbruine vlekken en strepen, en verder is de vogel grijsbruin gevlekt en gestreept. De lichtgele onderzijde vertoont brede donkere lengtestrepen en fijne dwarsstreepjes.

De ransuil komt voor in bosachtige gebieden met naaldbomen en open terreinen. In de winter verblijven ransuilen graag in elkaars gezelschap. In hun roestplaatsen, gemeenschappelijke slaapplaatsen in naaldbomen, struiken, knotwilgen of wilde hagen, rusten ze soms in grote groepen tot wel 100 exemplaren.
Volgens SOVON daalde het aantal broedparen in de periode 1990-2007 met meer dan 5% per jaar. Er broedden in 2007 nog ongeveer 5500 paar in Nederland. Als voornaamste oorzaak van de achteruitgang wordt de uitbreiding van de havik aangemerkt, maar ook vergrassing van de bosbodems (waardoor muizen lastiger te vangen zijn) en de achteruitgang van het aanbod aan lege kraai- en eksternesten.

Deze uil is in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse Rode Lijst gezet. De soort staat niet op de Vlaamse Rode Lijst. De ransuil staat als niet bedreigd op de internationale Rode Lijst van de IUCN

Bron Wikipedia  foto Tonnie Verheijden

Franse veldwesp

In de Gaas een Franse veldwesp tegengekomen.

Deze soort is van andere wespen te onderscheiden door het iets afgeplatte, slankere lichaam, meer oranje voelsprieten en een overwegend zwarte kleur met gele dwarsstrepen.
Mannetjes zijn van vrouwtjes te onderscheiden doordat ze gekromde uiteinden van de voelsprieten hebben en daarnaast hebben mannetjes groene ogen en de vrouwtjes zwarte ogen.
Deze soort is zeer moeilijk van de Gallische wesp (Polistes gallicus) te onderscheiden, die er sterk op lijkt.
De Franse veldwesp wordt ongeveer 12 tot 18 millimeter lang en is het hele jaar te zien, de koningin overwintert op beschutte plaatsen in bomen maar ook wel in huizen.

Deze wesp maakt holen op beschutte plaatsen. Het nest heeft geen papieren omhulsing maar is open, waardoor de wespen goed te zien zijn.
De wesp jaagt voornamelijk op insecten en is niet geïnteresseerd in zoetigheid, waardoor zelden een confrontatie met mensen plaatsvindt.
Wel kan deze wesp steken maar doet dat alleen bij gevaar.
De nesten zijn te vinden op open plekken maar deze soort staat er met name in meer zuidelijke streken om bekend de vreemdste plaatsen uit te kiezen.
Zo zijn er zelfs nesten in auto’s en onder de handgreep van een minicontainer aangetroffen.

Van oorsprong komt deze wesp uit westelijk Europa. Hij is in Nederland alleen in Limburg en Zeeuws-Vlaanderen algemeen, en in delen van België plaatselijk algemeen.
In de jaren ’80 is de Franse veldwesp in Noord-Amerika terechtgekomen en maar matig enthousiast ontvangen.
Hoewel de wesp grote hoeveelheden plaaginsecten opeet, is hij minder gewenst in gebieden met bijvoorbeeld zeldzame soorten vlinders.

Bron Wikipedia – Foto Tonnie Verheijden