Kuifmees

Het Kuifmeesje is weer aanwezig in de Gaas en op zoek naar voedsel.

De kuifmees is 10,5 tot 12 cm lang, even lang als de pimpelmees. Hij heeft een opvallende kuif die fijn zwart-wit getekend is en een zwart-witte tekening op het gezicht. De kuif kan plat over de kruin gelegd worden. Het verenkleed is aan de bovenzijde grijsbruin en de onderzijde is vuilwit en wat geelachtig aan de flanken. De voorkop is wit met een gebogen zwarte oogstreep. Verder heeft het dier een zwarte halsband, een donkere snavel en donkerbruine poten.

Voortplanting
Het nest wordt gebouwd in een holte. Het legsel bestaat uit vijf tot acht witte eieren met vrij grote, kastanjebruine vlekken, die alleen door het wijfje worden bebroed. Er wordt tweemaal per jaar gebroed.

Zijn voedsel bestaat in de zomer uit insecten, insectenlarven, spinnen en andere kleine diertjes. In het najaar en de winter eet hij vooral zaden van naaldbomen. De kuifmees nestelt in zelfgemaakte holen in vermolmd of heel zacht hout.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Goudhaantje


Goudhaantje vloog samen met een groep Staartmeesjes mee, ik dacht eerst dat het een Winterkoninkje was tot dat ik door mijn cameralens keek. ze zijn moeilijk te fotograferen omdat ze geen minuut stil gaan zitten.

De goudhaan (meestal vanwege zijn formaat het goudhaantje genaamd) (Regulus regulus) is een zangvogel uit de familie van Reguliere.
Het goudhaantje wordt slechts 8,5 cm groot, bij een gewicht van 4 tot 7 gram. Daarmee is deze vogel, samen met het nauw verwante vuurgoudhaantje de kleinste Europese vogelsoort.

De vogel heeft een tere snavel met een neusopening, die bedekt is met veerborstels. Het bruingrijsgroene verenkleed is heel dicht, met een zwart omzoomde kruinstreep, die bij het mannetje meer oranje en bij het wijfje geel is.
Het met haren en veertjes beklede komvormige nest wordt aan de rand min of meer dichtgetrokken om de warmte binnen te houden. Het legsel bestaat uit 7 tot 11 witte, grijsgewolkte eitjes, die in 12 tot 16 dagen uitgebroed worden. Een goudhaan leeft gemiddeld 8 maanden en plant zich in deze korte tijd twee keer voort.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Roodborst zingt het hoogste lied.

Elke dag zingt het Roodborstje het hoogste lied in de Gaas

De roodborst of het roodborstje (Erithacus rubecula) is een zangvogel uit de familie Muscicapidae (vliegenvangers). Hij waagt zich dicht bij huizen, vooral ‘s winters. Verder is het een zeer talrijke broedvogel van grote tuinen, parken en bossen.

Het is een vrij gedrongen vogeltje en zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een opvallende bruinrode tot oranje keel. De staart is roodbruin, de rug bruin en de buik lichtgekleurd. De zang is het hele jaar te horen. Hij begint ‘s ochtends te zingen als het nog donker is. Bij gevaar stoot hij de kreet ‘tsik’ uit. Een bijzonderheid van de roodborst is dat ook de vrouwtjes zingen, vooral in de herfst. Jonge vogels hebben een gespikkelde kop en borst. Het vogeltje is 14 cm lang. Tegen soortgenoten zijn zowel mannetjes als vrouwtjes heel agressief. Zowel in de zomer als in de winter verdedigen zij hun territorium fel.

Het roodborstje eet voornamelijk op de grond levende insecten (vooral kevers) en slakken, wormen en spinnen. Van de herfst tot vroeg in de lente vormen wormen, fruit en bessen een belangrijk deel van zijn dieet.

Een legsel bestaat meestal uit vijf tot zes roze eieren met grijze ondervlekken en roestbruine vlekjes.

Bron: Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

 

Grote Bonte Specht

De Grote Bonte Spechten zijn ook een trouwe bezoekers in de tuin elke dag komen ze wel keertje voor de pinda’s of het vetpotje.

Net als alle spechten is de grote bonte specht een holenbroeder. De nestholte wordt aan het einde van een kalenderjaar door het mannetje uitgehakt in een zachtere houtsoort van een volgroeide boom. Hij vertoont geen voorkeur voor een bepaalde boomsoort en maakt het nest in zowel naald- als loofbomen. Ook oude nestholtes worden soms gebruikt, al nestelt de grote bonte specht nooit in een nestkast. De nestholte is doorgaans vijftien tot dertig centimeter diep en heeft een met houtsnippers beklede bodem.

Wanneer een mannetje rond december een nieuwe nestholte heeft uitgehakt of een oude heeft uitgekozen, begint hij met zijn geroffel die dient als hofmakerij. Als een vrouwtje in het territorium deze roffel beantwoordt, volgt er verder baltsgedrag. Deze omvat onder andere dreigende bewegingen, zoals het opzetten van de kopveren.

In april en mei worden vier tot zeven crème-witte eieren gelegd, die in elf tot dertien dagen worden uitgebroed. De jongen worden drie tot vier weken door beide ouders gevoerd, alvorens ze uitvliegen. In de tweede helft van deze periode is dit nest eenvoudig te ontdekken, daar de jongen dicht bij het vlieggat continu om de ouders roepen.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

 

Dagpauwoog

Gezamenlijk zaten deze dagpauwogen op de laatste vlinderstruik bloemen.

De dagpauwoog (Aglais io) is een middelgrote vlinder uit de familie Nymphalidae en de onderfamilie aurelia’s (Nymphalinae).

De dagpauwoog is een van de bontst gekleurde en bekendste soorten vlinders in Europa. De soort komt binnen Europa algemeen voor in de gematigde zones en ontbreekt in het uiterste noorden en zuiden. Ook in de gematigde gebieden van Azië vinden we de soort tot in Japan. Het grote verspreidingsgebied is onder meer te verklaren doordat de belangrijkste waardplant, de brandnetel, zoveel voorkomt. In België en Nederland is de dagpauwoog algemeen aanwezig.

De dagpauwoog is hier niet te verwarren met andere vlinders vanwege de grootte, de oranjerode vleugels en de karakteristieke oogvlek op de bovenzijde van iedere vleugel. De onderzijde is juist goed gecamoufleerd door donkerbruine kleuren en donkere strepen.

De dagpauwoog is goed onderzocht waardoor er veel bekend is over de levenswijze, de voortplanting en de ontwikkeling van de vlinder. Het is een van de soorten die als volwassen vlinder overwintert en ‘s winters kan worden aangetroffen in huizen.

De dagpauwoog is een palearctische soort die voorkomt in grote delen van Europa en oostwaarts in Azië voorkomt tot in Japan. In zuidelijk en zuidoostelijk Azië ontbreekt de soort.

Binnen Europa heeft de soort zijn noordgrens in het zuiden van Scandinavië omdat het ten noorden hiervan te koud is.In het zuiden van Europa ontbreekt de soort rond het Middellandse Zeegebied. In Groot-Brittannië is de dagpauwoog met name in het zuidelijke deel te vinden en wordt deze naarmate men noordelijker komt, zeldzamer. In Ierland komt de soort wel algemeen voor.

De vlinder heeft geen echte voorkeur voor een bepaald leefgebied, als het maar zonnig is en er bloemen zijn om nectar uit te zuigen. Daarom is de soort vooral te vinden in bloemrijke graslanden, maar ook tuinen worden veel bezocht en vooral als er planten als de vlinderstruik in staan. Veel vlinders worden in hun verspreiding in sterke mate beperkt door de verspreiding van de waardplanten waarop de rupsen leven. De larven van de dagpauwoog beschikken echter over een ruim aanbod aan voedsel omdat de brandnetels waarop ze leven zeer algemeen voorkomen. De vlinder kan zich hierdoor ontwikkelen in slecht onderhouden tuinen, slootkanten, industrieterreinen, braakliggende stukken grond, bosranden, vuilstortplaatsen, parken, wegbermen, spoordijken en vele andere door de mens geschapen biotopen.

De dagpauwoog is een standvlinder maar kan nieuwe gebieden snel koloniseren. De soort kan tot tientallen kilometers zwerven, waarbij de dieren vooral met de wind mee worden gevoerd en niet gericht trekken zoals bijvoorbeeld de atalanta. Soms komen grote aantallen door de wind meegevoerde exemplaren voor, zoals in het jaar 1995 het geval was in Nederland. Ook de algemene verspreiding van de voedselplanten draagt ertoe bij dat de soort in een gunstig jaar enorm in aantal kan toenemen; dan zijn er drie generaties mogelijk en leggen de vrouwtjes tot 1000 eitjes.

In België en Nederland is de soort van de vroege lente tot in de herfst vrijwel overal te vinden, ook in hoger gelegen delen van de Ardennen en op alle Waddeneilanden.In de jaarlijkse tuinvlindertelling van De Vlinderstichting werd de dagpauwoog tussen 2 en 4 augustus 2013 38.883 maal waargenomen en was daarmee de meest getelde soort.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Staartmeesjes

De Staartmeesjes zijn weer aanwezig in de gaas.

De staartmees (Aegithalos caudatus) is een zangvogel uit de familie staartmezen (Aegithalidae). Hij behoort niet tot de familie van echte mezen (Paridae); staartmezen vormen een eigen familie

Een volwassen staartmees heeft een totale lengte van 13 tot 16 centimeter, inclusief de lange, smalle staart van 6 tot 10 centimeter. De vleugelspanwijdte is 16 tot 19 centimeter,[2] wat relatief klein is voor een zangvogel. Hij heeft een rond lichaam, een korte, stompe snavel en lange, slanke poten. De donkere ogen zijn bij sommige vogels omrand met een felgekleurde oogring.

De staartmees dankt zijn pluizig uiterlijk aan zijn veren die hij meestal opgezet heeft. De vogels hebben een witte streep over de gehele lengte van de staart. Het verenkleed aan de bovenzijde is zwart en wit en aan de onderzijde wit. Veel ondersoorten hebben bovendien roze en/of grijze tinten over het hele verenkleed. Over de gehele lengte van de staart loopt een witte streep. Er bestaan veel geografische variaties in het kleurpatroon en sommige ondersoorten als A. c. caudatus en A. c. japonicus hebben een geheel witte kop, terwijl andere soorten een grijze tekening op de kop hebben. In gebieden als Noord-Europa krijgen koppels van verschillende ondersoorten regelmatig gemengd gekleurde nakomelingen.

Het kleed van geslachten is gelijk. Jonge vogels ondergaan voor hun eerste winter een complete rui die leidt tot het volwassen verenpak.

Staartmezen leven doorgaans in groepen met een hechte sociale structuur. De grenzen van hun voedselterritorium wordt door de groep verdedigd tegen soortgenoten. Buiten het broedseizoen vormen staartmezen groepen van drie tot zestig vogels.

In het voorjaar bakenen de staartmezen hun territorium af en trachten ze indringers buiten te houden. Als ramen (of autospiegels) een spiegelbeeld weerkaatsen, is het mogelijk dat staartmezen wekenlang gedurende lange tijd tegen het raam komen fladderen of pikken om de vermeende indringer af te houden.

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

 

Bleke Oesterzwam


In de Gaas Bleke Oesterzwam tegengekomen.

De bleke oesterzwam (Pleurotus pulmonarius) is nauw verwant aan P. Ostreatus, maar wijkt af zowel in kleur als in voorkomen. De kleur van de bleke oesterzwam is licht beige en kan bij ouderdom verbleken tot beige-wit. Het is een warmteminnende soort en daardoor kun je ze vinden van mei tot eind september. De overige kenmerken komen overeen met de gewone oesterzwam, alhoewel de stelen vaak wel iets langer worden. De bleke oesterzwam is de meest gekweekte oesterzwam soort en deze zul je dus ook het vaakst in de supermarkt aantreffen.

De gewone en de bleke oesterzwam groeien beiden altijd op hout. Vind je een paddenstoel die je sterk doet denken aan een oesterzwam die gewoon op de grond groeit dan kan het nooit een van beide soorten zijn. Een zwam die op de oesterzwam lijkt, zowel qua uiterlijk als groeiwijze, die ook op hout groeit is de groene schelpzwam (Sarcomyxa Serotina). Deze heeft een olijfgroene, enigszins plakkerige hoed en gelige (of heel licht oranje) lamellen. De lamellen lijken af te lopen op de steel, maar houden eigenlijk op waar het steeltje begint met een redelijke duidelijke afscheiding. Het steeltje ziet eruit als een stompje. Een ander typerend kenmerk is de gelatineuze laag die je ziet wanneer je de hoed dwars op de lamellen doorsnijdt. In tegenstelling tot de oesterzwam heeft de groene schelpzwam geen champignonachtige geur, maar ruikt helemaal nergens naar. Hetzelfde geldt overigens ook voor de smaak. Verwarring met de oesterzwam is niet gevaarlijk, want ook de groene schelpzwam is niet giftig. Hij wordt als eetbaar beschouwd, maar er zit weinig smaak aan.

Bron Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

gewone Dophei

Af en toe kom je nog weleens een klein stukje gewone Dophei tegen op de heide in de Gaas.

De gewone dophei (Erica tetralix) is een vaste plant uit de heidefamilie (Ericaceae). De plant komt voor op voedselarme, vochtige plaatsen, zoals zand-, moeras- en veengrond. De plant groeit zowel op zonnige als op schaduwrijke plaatsen, in duinvalleien en in bossen. De soort komt in Europa voor in de landen langs de Noordzee en de Oostzee. In Nederland komen in Drenthe nog grote heidevelden met gewone dophei voor, zoals in het Nationaal Park Dwingelderveld. Deze heidevelden kunnen alleen in stand gehouden worden door regelmatig plaggen, waardoor de grond schraal blijft. Vroeger staken de boeren hun heideplaggen het liefst op dopheidevelden en gebruikte de plaggen als stro in hun potstallen. Bij een wat rijkere grond treedt vergrassing op. Ook is verbraming een probleem.

De plant is een dwergstruik, die 10-60 cm hoog kan worden. De soort bloeit van juni tot in oktober met roze-rode bloemen.

De gewone dophei is een belangrijke nectarplant voor hommels en wordt in Noord-Brabant dan ook wel hommelehèij genoemd. Alleen hommels met een lange tong kunnen bij de nectar komen. Hommels met een korte tong breken in door een gaatje te bijten onder in de bloemkroon, waarna ook honingbijen gebruik kunnen maken van het door de hommel gemaakte gaatje.

Ook vlinders, zoals het heideblauwtje (Plebejus argus) bezoeken de gewone dophei.

Bron Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

 

Steenrode heidelibelle


Zo mooi als de heidelibelle over je heen vliegt in de Gaas.

De steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum) is een echte libel uit de familie van de korenbouten (Libellulidae). De libel wordt 35 à 40 mm lang en komt voor in vrijwel heel Europa. In Nederland is het een algemene soort in de nazomer. Bijzondere kenmerken zijn de gestreepte poten en een ‘hangsnor’.


De poten van de steenrode heidelibel zijn zwart met gele strepen. Dijen van de voorste poten meestal tweekleurig: zwart-geel, soms met nog een zwart veegje in het geel. Het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) loopt langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘hangsnor’). Het achterlijf van het mannetje heeft een subtiele, maar meestal duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf, meestal iets donkerder dan de bruinrode heidelibel, maar lichter dan de bloedrode heidelibel. De zijkant van het borststuk verkleurt naar bruin, met vage lichtere delen. Jonge mannetjes en vrouwtjes hebben een geel achterlijf, later bij de vrouwtjes verkleurend tot bruin. Aan de zijkant van het achterlijf staan zwarte streepjes, die geen doorlopende streep vormen. De legschede van het vrouwtje is opvallend zichtbaar en staat in zijaanzicht haaks van het achterlijf af.
De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 35 en 40 millimeter; de larve is 15-19 mm lang.

De vliegtijd van de steenrode heidelibel is in de nazomer van begin juni tot half november, met een piek van eind juli tot half september.

Bron Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

kleine Parelmoervlinder

Voor de eerste keer een kleine Parelmoervlinder gefotografeerd in de Gaas.

De kleine parelmoervlinder is een opvallende vlinder door de spiegels op de onderkant van zijn vleugels. De vorm van de 19-23 mm brede vleugels is een beetje hoekig. De bovenkant van de vleugels toont een stippenpatroon.

De snelgroeiende rups wordt tot 3 cm lang. Zijn lijf is zwart met veel kleine lichte plekken. Hierboven komen oranjebruine getakte stekels.

De vlinder komt in Midden- en Zuid-Europa voor en Zuid-Scandinavië. Ze ontbreekt op de Middellandse Zee-eilanden, maar komt wel voor op Sicilië. De Kleine parelmoervlinder heeft een voorkeur voor droge, bloemrijke graslanden maar wil ook wel zwerven. Ze komt niet voor in Ierland en Groot-Brittannië (al steekt ze incidenteel wel over vanuit Frankrijk).

Buiten Europa komt ze voor in Noordwest-Afrika, Centraal-Azië, en via Noord-India tot in Zuid-China.

Vanaf zeeniveau tot 2500 meter hoogte in berggebieden kan zij worden aangetroffen.

In Vlaanderen komt ze sinds begin ’90 alleen aan de kust voor, op een beperkte populatie in de Westhoek na. Ze staat op de Vlaamse Rode Lijst dan ook gekenmerkt als bijna in gevaar. Ze is echter in 2004 onverwachts opgedoken in Vlaams Limburg: ruim 120 waarnemingen.

In Nederland is haar verspreiding beperkt tot de duinen, al komt ze ook verspreid voor op de zandgronden landinwaarts op de Veluwe en in Zuid-Limburg. In Nederland staat hij als kwetsbaar op de rode lijst.

Bron: Wikipedia   Foto’s Tonnie Verheijden