Boomklevers

Onze trouwe gasten de Boomklevers elke dag komen even langs voor zonnepitten.

De boomklever is een korte, dikke en actieve vogel met een krachtige puntige snavel.
Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel.
De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid.
In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda’s worden aangeboden.
De bovenzijde en bovenkop zijn blauwgrijs. De onderzijde is isabelkleurig met roodbruine flanken.
Bij het volwassen mannetje is de achterflank scherp begrensd oranjebruin en hierdoor is het al bij onvolwassen exemplaren mogelijk om het geslacht te bepalen.
Verder heeft hij een brede zwarte oogstreep met lichte wangen en keel.
Bij het volwassen vrouwtje is de achterflank minder scherp begrensd oranjebruin.
Verder is het identiek aan het mannetje.
De boomklever klimt en daalt schoksgewijs langs de boomstam, zonder op zijn staart te steunen.
De Scandinavische ondersoort heeft aan de onderzijde lichtere en zelfs geheel witte onderdelen.
De vlucht van deze gedrongen dikke vogel is golvend en snel terwijl de korte staart in het midden zwart is.
Buiten de broedtijd bevindt de boomklever zich wel in gezelschap van mezen.

Bron Wikipedia  Foto’s  Tonnie Verheijden

Kuifmees

Het Kuifmeesje blijft een trouwe bezoeker in dezelfde struik voor ons huis.

De kuifmees is 10,5 tot 12 cm lang, even lang als de pimpelmees. Hij heeft een opvallende kuif die fijn zwart-wit getekend is en een zwart-witte tekening op het gezicht. De kuif kan plat over de kruin gelegd worden. Het verenkleed is aan de bovenzijde grijsbruin en de onderzijde is vuilwit en wat geelachtig aan de flanken. De voorkop is wit met een gebogen zwarte oogstreep. Verder heeft het dier een zwarte halsband, een donkere snavel en donkerbruine poten.

Voortplanting
Het nest wordt gebouwd in een holte. Het legsel bestaat uit vijf tot acht witte eieren met vrij grote, kastanjebruine vlekken, die alleen door het wijfje worden bebroed. Er wordt tweemaal per jaar gebroed.

Zijn voedsel bestaat in de zomer uit insecten, insectenlarven, spinnen en andere kleine diertjes. In het najaar en de winter eet hij vooral zaden van naaldbomen. De kuifmees nestelt in zelfgemaakte holen in vermolmd of heel zacht hout.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Roodborst

Roodborst,

We hebben weer een koppeltje Roodborsten in de tuin. De roodborst of het roodborstje (Erithacus rubecula) is een zangvogel uit de familie Muscicapidae (vliegenvangers). Hij waagt zich dicht bij huizen, vooral ‘s winters. Verder is het een zeer talrijke broedvogel van grote tuinen, parken en bossen.

Het is een vrij gedrongen vogeltje en zowel mannetjes als vrouwtjes hebben een opvallende bruinrode tot oranje keel. De staart is roodbruin, de rug bruin en de buik lichtgekleurd. De zang is het hele jaar te horen. Hij begint ‘s ochtends te zingen als het nog donker is. Bij gevaar stoot hij de kreet ‘tsik’ uit. Een bijzonderheid van de roodborst is dat ook de vrouwtjes zingen, vooral in de herfst. Jonge vogels hebben een gespikkelde kop en borst. Het vogeltje is 14 cm lang. Tegen soortgenoten zijn zowel mannetjes als vrouwtjes heel agressief. Zowel in de zomer als in de winter verdedigen zij hun territorium fel.

Het roodborstje eet voornamelijk op de grond levende insecten (vooral kevers) en slakken, wormen en spinnen. Van de herfst tot vroeg in de lente vormen wormen, fruit en bessen een belangrijk deel van zijn dieet.

Een legsel bestaat meestal uit vijf tot zes roze eieren met grijze ondervlekken en roestbruine vlekjes.

De roodborst komt voor in grote delen van Europa tot bij de Poolcirkel en in West-Azië. ‘s Zomers broedt de roodborst in gaten en spleten in muren, aan slootkanten, in heggen, in klimop, in bossen, in parken en in tuinen.

Bron: wikipedia Foto: Tonnie Verheijden

Groene Specht

Al een paar dagen hoorde ik de Groene Specht heel dichtbij langs de Heide, vanmiddag weer op zoek gegaan en bij toeval vloog hij tegen de stam van een boom..

De groene specht is een relatief grote specht. Een volwassen groene specht heeft een lichaamslengte tussen de 31 en 34 centimeter. Het gewicht ligt meestal rond de 170 à 180 gram, maar kan variëren tussen de 140 en 250 gram. De vleugelspanwijdte kan 40 tot 52 centimeter bedragen, maar is meestal tussen de 45 en 51 centimeter. Er is vrijwel geen verschil in gewicht en lengte tussen mannetjes en vrouwtjes.

Het verenkleed is olijfgroen op de nek en bovenzijde, geel op de stuit en lichtgrijsgroen op de onderzijde. De kleur van de vleugels verloopt van olijfgroen en gelig op de bovenzijde van de binnenste vleugelveren naar zwart met grote witte vlekken op de buitenste veren. De rode kopkap loopt van het voorhoofd tot achter in de nek. Het gezicht is tot de oorstreek zwart en de ogen zijn blauwig wit. Net als de meeste Europese spechten is de groene specht seksueel dimorf, al is het verschil tussen de geslachten relatief klein. Het mannetje heeft een zwart omzoomde rode baardstreep onder het oog, bij het vrouwtje is deze geheel zwart.

De groene specht is een sedentaire standvogel, die bij het foerageren vaak dezelfde routes gebruikt. In de zomer zijn deze routes meestal kort, in de winter dwaalt hij vaak verder van zijn slaapplaats en wordt hij ook aangetroffen in tuinen. De groene specht is een dagactieve vogel en doorgaans begint hij net na zonsopgang met het zoeken naar voedsel op de grond. De duur van de actieve periode is afhankelijk van het daglicht en varieert van acht uur in december tot vijftien uur in juli.
Bron: wikipedia  Foto Tonnie Verheijden

Sperwer

Sperwer Man

De Sperwer komt elke dag kijken bij de voederhuisjes of hij niet toevallig een musje of ander vogeltjes kan vangen het liefs een mus.

Opvallend is de gele iris, net als de fijn gebandeerde borst en de dunne maar krachtige, gele poten. Sperwers hebben stompe vleugels met een relatief groot oppervlak. De vleugels zijn veel breder dan van valken, waarvoor ze vaak worden aangezien. Opvallend is het grote verschil in formaat tussen mannetje en vrouwtje. Vrouwtjes zijn groter en zwaarder dan mannetjes en jagen op grotere prooien dan mannetjes. De lengte van kop tot staart varieert van 28 tot 38 centimeter.

Sperwer Vrouw

Zangvogels zijn de voornaamste prooi, met name huismus, vink, merel, spreeuw en mees. Het vrouwtje vangt ook grotere prooien als de turkse tortel. De sperwer jaagt vanuit dekking, of met een plotselinge, snelle vlucht in het voorbijgaan.
De sperwer bouwt ieder jaar hoog in de bomen een nieuw nest, waarin één tot zes, maar meestal vier of vijf eieren worden gelegd.
Sperwers komen in heel Europa voor, met uitzondering van IJsland en het uiterste noorden van Scandinavië en Rusland. Het verspreidingsgebied strekt zich in een gordel uit van Rusland tot Kamtsjatka, Japan en Korea. Sperwers leven voornamelijk in bosgebieden (vaak naaldbos), maar ook in cultuurland en in steden. Vogels uit de noordelijke streken overwinteren in gematigde gebieden.

Bron Wikipedia  foto’s Tonnie Verheijden

Koperwiek


De Koperwiek

Deze week kwam ik de Koperwiek tegen in de Gaas, dit is de eerste keer dat ik hem heb kunnen fotograferen in 25 jaar fotografie.

De koperwiek is een kleine lijster, met een opvallende wenkbrauwstreep en opvallende roestbruin/oranje flanken en oksels.
De soort is vaak te horen tijdens de trek in oktober/november, als ze ‘s nachts in grote groepen over de Lage Landen trekken.
Koperwieken zijn vaak te zien in gezelschap van andere lijsters, meestal kramsvogels.
Koperwieken zijn wat kleiner dan kramsvogels en hebben een donkere oogstreep, met daarboven een scherp afgetekende witte wenkbrauwstreep.
De ondervleugels zijn ‘kopergekleurd’. Kramsvogels zijn groter, hebben een grijze kop en grijze stuit, een erg vage wenkbrauwstreep, en witte ondervleugels en oksels.
Het geluid van beide is ook anders. Koperwieken maken een hoog langgerekt ‘tjiehhh’ geluid.
In Noord-Europa is de koperwiek een talrijke broedvogel van naald- en berkenbossen. In de winter trekken ze, meestal ‘s nachts, naar het zuidwesten.
Veel koperwieken blijven in Nederland overwinteren.
Wanneer de winter te koud wordt, verlaten ze het land weer en trekken verder naar het zuiden, of verplaatsen ze zich naar de stad, waar het warmer is.
Koperwieken komen in Nederland en België alleen om te overwinteren. Broeden doen ze in het hoge noorden.
De koperwiek heeft een beperkt broedgebied en daardoor is er de kans op uitsterven.
De grootte van de populatie werd in 2015 door BirdLife International geschat op tientallen miljoenen individuen, maar de aantallen nemen af.
Om deze redenen staat deze soort sinds 2015 als gevoelig op de Rode Lijst van de IUCN.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Boomkruiper

De boomkruiper is elke dag in dezelfde boom op zoek naar voedsel in de Gaas.

De gewone boomkruiper lijkt zozeer op zijn familielid, de taigaboomkruiper (ook wel kortsnavelboomkruiper), dat het uiterlijk van beide soorten moeilijk van elkaar te onderscheiden is. Het vogeltje kan een grootte van twaalf centimeter bereiken en weegt dan ongeveer elf gram. De naar beneden gekromde, spitse snavel is ongeveer twaalf millimeter lang. De onderkant van de vogel is wit; de bovenkant heeft de kleur van boombast en het streepje boven zijn ogen is wit. Het mannetje en het vrouwtje hebben dezelfde kleur. De relatief lange staart wordt gebruikt om zich af te zetten en om te sturen bij het vliegen. De roep van het vogeltje klinkt ongeveer als: “tihtih”.

De boomkruiper klimt met kleine sprongetjes in een spiraalvormige bewegingslijn langs boomstammen omhoog en zoekt daarbij met zijn daarvoor zeer geschikte snavel in de boombast naar insecten en spinnen.

Op eenjarige leeftijd is het dier geslachtsrijp. De broedtijd is van maart tot juli. Het nest wordt gebouwd van takjes, grashalmen, mos, haren en veertjes in een boomspleet, achter boombast of een ondiepe holte in een bouwwerk. Het vrouwtje legt vijf tot zeven witte, rood gespikkelde eieren, die in twee weken uitgebroed worden. Het mannetje helpt met het voeden. De jongen verlaten na twee weken het nest.

Bron Wikipedia: Foto: Tonnie Verheijden

 

Kuifmees

De kuifmezen komen met dit koude weer voor de vetbol, goed voor hun veertjes vet eten te tegen de kou.

De kuifmees (Lophophanes cristatus, vroeger Parus cristatus) is een zangvogel uit de familie van echte mezen (Paridae).

De kuifmees is 10,5 tot 12 cm lang, even lang als de pimpelmees. Hij heeft een opvallende kuif die fijn zwart-wit getekend is en een zwart-witte tekening op het gezicht. De kuif kan plat over de kruin gelegd worden. Het verenkleed is aan de bovenzijde grijsbruin en de onderzijde is vuilwit en wat geelachtig aan de flanken. De voorkop is wit met een gebogen zwarte oogstreep. Verder heeft het dier een zwarte halsband, een donkere snavel en donkerbruine poten.

Het nest wordt gebouwd in een holte. Het legsel bestaat uit vijf tot acht witte eieren met vrij grote, kastanjebruine vlekken, die alleen door het wijfje worden bebroed. Er wordt tweemaal per jaar gebroed.

De kuifmees komt in het overgrote deel van Europa het hele jaar voor, waaronder in Nederland en België. Uitzonderingen zijn het Verenigd Koninkrijk, Ierland en IJsland. De kuifmees heeft een eigen Belgische postzegel ter waarde van 1 BEF

De kuifmees is een talrijke broedvogel die voornamelijk in naaldbossen broedt, soms ook in groepen naaldbomen, die tussen loofbomen en in parken staan. In tegenstelling tot de koolmees en pimpelmees is de kuifmees zelden in tuinen te zien, alleen als er naaldbomen in de omgeving aanwezig zijn.

Zijn voedsel bestaat in de zomer uit insecten, insectenlarven, spinnen en andere kleine diertjes. In het najaar en de winter eet hij vooral zaden van naaldbomen. De kuifmees nestelt in zelfgemaakte holen in vermolmd of heel zacht hout.

Bron: Wikipedia Foto: Tonnie Verheijden

 

Kramsvogels

Het was al weer een paar jaar geleden dat ik de Kramsvogels had gezien in de Gaas, dit keer zag ik in december een hele groep Kramsvogels bij elkaar in de Gaas.

De kramsvogel onderscheidt zich van andere lijsters door zijn karakteristieke verenkleed. Deze is bij het mannetje en het vrouwtje vrijwel identiek. Het voorhoofd, de kruin, de nek en de oordekveren zijn duifgrijs gekleurd. Elke veer op de kruin en het voorhoofd heeft een centrale bruinzwarte streep, die bij het mannetje iets breder is. Het gebied onder de ogen en op de teugel (tussen de ogen en de snavel) is zwart gekleurd. Boven de ogen heeft de kramsvogel vage lichte streepjes. De lichtgekleurde borst is opvallend bruinzwart gespikkeld en gestreept. De kleur van de borst verloopt van gelig op de bovenborst tot wit naar de buik. Bij het vrouwtje is de borst lichter gekleurd en heeft deze minder en kleinere vlekken en strepen.

In de vlucht is de witte tekening onder de vleugels goed te zien
De bovenzijde van de romp en de stuit is net als de kop duifgrijs gekleurd. De veertien bruinzwarte staartpennen hebben elk een puntig, grijzig uiteinde. De buitenste twee veren zijn wat korter, waardoor de staart een ronde vorm heeft. De slagpennen zijn bruinzwart. De dekveren op de schouders en de mantel zijn donker kastanjebruin, met donkere centrale strepen en lichte uiteinden. Bij het vrouwtje zijn deze dekveren bruiner gekleurd dan bij het mannetje. Aan de onderzijde van de vleugels en onder de schouders zijn de dekveren wit.

De irissen van een volwassen kramsvogel zijn donkerbruin gekleurd. De forse snavel is ‘s winters bij beide geslachten oranjegeel gekleurd, met bruinzwarte uiteinden en een wat donkerder bovensnavel. In de zomer blijft de snavel bij het vrouwtje gelijk, maar die van het mannetje wordt geel.

De kramsvogel leeft doorgaand in grote groepen
In tegenstelling tot de meeste lijsters leeft de kramsvogel vrijwel altijd in groepsverband. Wanneer kramsvogels in een boom rusten, maken ze kakelende geluiden. Vaak kijken alle vogels daarbij in dezelfde richting. De kramsvogels roesten meestal gezamenlijk op de grond, maar ook in dichtbegroeide struiken. Met name in het winterkwartier zijn kramsvogels schuw en snel verstoord. Tijdens het broedseizoen is de kramsvogel aanzienlijk lawaaieriger en vrijpostiger. De vlucht van de kramsvogel is langzaam en in een rechte lijn. Hij gebruikt krachtige vleugelslagen en vouwt regelmatig zijn vleugels in om ze zeer kort daarna weer uit te slaan.

De kramsvogel voedt zich ‘s winters vooral met vruchten
Tijdens het foerageren worden kramsvogels vaak vergezeld door koperwieken (Turdus iliacus). De kramsvogel zoekt zijn voedsel voornamelijk in struiken op open terreinen of hoog in de bomen. Een foeragerende groep beweegt zich tegen de wind in en elke vogel pauzeert regelmatig om in opgerichte houding de omgeving af te speuren. Bij verstoring vliegt de hele groep met de wind mee om elders voedsel te vinden.

De kramsvogel is omnivoor. ‘s Zomers voedt hij zich vooral met dierlijk voedsel, waaronder slakken, naaktslakken, wormen, spinnen en insecten, zoals kevers, keverlarven, vliegen en sprinkhanen. Wanneer in de herfst de bessen rijpen, vormen deze het hoofdvoedsel van de kramsvogel. Dit zijn bijvoorbeeld lijsterbessen, jeneverbessen en de vruchten van de vuurdoorn, meidoorn, hondsroos, venijnboom, hulst en dwergmispel. Later in de winter worden ook gevallen appels, koolrapen, graan en zaden gegeten. Bij voedselschaarste zoeken groepen kramsvogels soms moerassen of de kustlijn op, om zich hier te voeden met weekdieren.
Bron: Wikipedia foto: Tonnie Verheijden

Gekraagde Roodstaart

Een koppel gekraagde roodstaarten komt elk jaar terug naar de Gaas om te broeden, hopend dat ze dit jaar weer terugkeren naar de Gaas.

De gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) is een zangvogel uit de familie Muscicapidae (vliegenvangers). Het is een trekvogel die broedt in Europa en in Afrika overwintert.

De vogel is 13 tot 14,5 cm lang. Het is een vrij slanke, onopvallende vogel die zich meestal ophoudt in het gebladerte. Zowel mannetje als vrouwtje hebben een roestrode staart die vaak trilt als ze zitten. Het mannetje heeft een oranje borst en een zwart “gezicht” met een witte wenkbrauwstreep die doorloopt tot op het voorhoofd. De rug is leigrijs. Het vrouwtje is vaag oranje tot beige op de borst en grijsbruin op de rug.

Het voedsel van deze trekvogel bestaat uit insecten, larven en bessen.

Het legsel bestaat uit vijf tot zeven licht blauwgroene eieren met roodbruine stipjes.

Het leefgebied bestaat uit halfopen landschappen met oude bomen afgewisseld door struikgewas, oud dennenbos, parken en grote tuinen.

Bron: Wikipedia Foto: Tonnie Verheijden