Glasvleugelpijlstaart vlinder


De glasvleugelpijlstaart vlinder is altijd een trouwe gast op de vlinderstruik

De glasvleugelpijlstaart (Hemaris fuciformis) is een vlinder uit de familie pijlstaarten (Sphingidae).

Met zijn geelbruine pels, witte band, zwart achterwerk en doorzichtige vleugels lijkt de glasvleugelpijlstaart op een fors uitgevallen hommel. De spanwijdte bedraagt tussen de 38 en 48 millimeter.

Het is een snelle vlieger die al stilhangend met zijn lange tong nectar uit bloemen van onder andere rododendrons, vlinderstruiken en koekoeksbloemen kan drinken.

De vlinder komt voor in Noord-Afrika, Europa (uitgezonderd Noord-Scandinavië) en Centraal en Oost-Azië. In Nederland vooral boven zandgrond vrij algemeen. De vliegtijd loopt van eind april tot half september, per jaar vliegen twee generaties.

Waardplanten van de rupsen zijn soorten van de geslachten kamperfoelie en walstro. De rupsen, met de voor de pijlstaartenfamilie kenmerkende puntstaart en vaak rode ringen om de stigma’s, zijn te zien van juni tot augustus. Overwinteren gebeurt als pop tussen dorre bladeren op de grond.

Bron: Wikipedia   Foto’s: Tonnie Verheijden

Geaderd Witje

Een Geaderd Witje fladderde door de tuin.

De pop is grijs tot groen met zwarte vlekken. Hij zit met een draadje vast aan een takje, of aan de bast van een boom of een muurtje.

De eitjes van het klein geaderd witje worden afzonderlijk door het vrouwtje op de onderkant van het blad van de waardplant afgezet. Na een drie tot zeven dagen verschijnen de rupsjes De voornaamste waardplanten zijn pinksterbloem en look-zonder-look, maar ook andere soorten kruisbloemigen zoals andere soorten veldkers dan de pinksterbloem en mosterd. In de zomer kunnen ze ook gevonden worden op gekweekte koolplanten in tuinen, maar is niet een gekend plaaginsect. De planten moeten met name in vochtige omgeving in de halfschaduw staan. Het rups van het oranjetipje leeft ook vooral van pinksterbloem en look-zonder-look, maar eet van de bloemen en zaden, terwijl de rups van het klein geaderd witje van de bladeren eet. Rupsen van het klein geaderd witje vallen vooral ten prooi aan loopkevers en hooiwagens en in mindere mate vogels.

De vliegtijd is van april tot en met november in twee tot drie generaties. De pieken in voorkomen zijn begin mei, eind juli en eind augustus, de vliegtijd van de laatste twee generaties overlapt sterk.

Het klein geaderd witje is een zeer mobiele vlinder, die migreert binnen het areaal. De soort heeft echter minder trekneigingen dan het klein koolwitje en het groot koolwitje.

Het klein geaderd witje komt grofweg op heel het Noordelijk halfrond (Holarctisch gebied) voor. In Nederland en België is de soort zeer algemeen. De vlinder vliegt van zeeniveau tot 2000 meter in berggebied.

Het klein geaderd witje stelt geen specifieke eisen aan zijn omgeving en kan daarom overal worden aangetroffen. In de meeste habitats waar het klein koolwitje vliegt, is ook het klein geaderd witje te vinden. Wel heeft het klein geaderd witje meer dan het klein koolwitje een voorkeur voor natuurlijke omgevingen en is het minder een cultuurvolger. In vochtige omgevingen wordt zij het meest waargenomen.

Bron Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

Heide in de Gaas (Tilburg)

De Heide staat weer volop in bloei in de Gaas, dat is toch mooi waar je zolang mee bezig bent om dit zo weer te zien.

Wellicht is het voor sommigen ook interessant te weten, dat de naam “Oude Draaiboom” van de kaart van 1890 al rond 1450, dus ook nog in de Middeleeuwen, als “Oude Dreyboom” staat aangegeven. Het betreft het huidige complex bos- en weideland, recht tegenover het landgoed Dongewijk, ten noorden van de Bredaseweg en verder begrensd door de Donge (met Koolhoven) in het westen, de spoorlijn Tilburg-Breda in het noorden en de Reeshofweg ten oosten. In de huidige bossen staat een nieuwgebouwde villa van P. Bogaers. Zij draagt de naam “De oude Draaiboom” en kijkt daarmee dus terug tot in de Middeleeuwen.

Tilburg aantreft aan weerskanten van de Bredaseweg, waar eens de “fine fleur” van Tilburg haar zomerverblijven bouwde. Het was en is daar een bosrijke streek, gezegend met natuurschoon, dat echter door de wandelaar alleen van de “buitenkant” kon bekeken en genoten worden. Als particulier bezit waren die landgoederen voor hem taboe. Maar de tijden zijn veranderd. Overal werden landgoederen voor het publiek opengesteld. O.a. is dit hier het geval met Dongewijk en met nog enige andere “feodale” bezittingen, welke in handen van de gemeente Tilburg zijn gekomen en thans met de verzamelnaam van “gemeentebossen” plegen aangeduid te worden. Algemeen bekend lijkt ons dit alles niet, hoewel ze op slechts korte afstand van de stad verwijderd liggen. Waarom zou de natuurliefhebber en de ontspanning verlangende mens ver gaan zoeken wat hij in de buurt, zonder enige moeite, en zelfs zonder over een auto te beschikken, ook vinden kan! Dat dachten wij zo toen we hier op zekere dag ronddoolden en daar het fascinerende ondergingen, dat er ligt in het vrij wandelen in bossen, waar in het verleden een jongensoog zo lang begerig naar heeft gekeken.

Bron: Pierre van Beek – Heemkunde-artikelen  Foto Tonnie Verheijden

Kolibrievlinder (onrustvlinder)

De kolibrievlinder komt al een paar dagen in de tuin voor voedsel.

De Kolibrievlinder is te herkennen aan de grijze tot bruine voorvleugels met twee van elkaar af gelegen donkerbruine, dunne en enigszins grillige strepen aan de bovenzijde. De achtervleugels hebben een oranje kleur aan de bovenzijde. De spanwijdte (of vlucht) van de vleugels is ongeveer 5 centimeter.

De Kolibrievlinder komt voor in Zuid-Europa en Noord-Afrika. Het is een zeer snelle soort, de kolibrievlinder is een van de bekendste trekvlinders. In de zomer vliegen grote aantallen kolibrievlinders naar het noorden en westen van Europa en ‘s winters trekken de vlinders naar zuidelijkere delen van Afrika. De vlinder wordt jaarlijks ook in België en Nederland aangetroffen. Het verspreidingsgebied van de soort strekt zich uit tot in noordelijk Scandinavië. De vlinder wordt beschouwd als een algemeen voorkomende en talrijke soort die niet wordt bedreigd.

De Kolibrievlinder beschikt over een lange tong en is in staat om stil te hangen in de lucht bij een bloem tijdens het opzuigen van nectar. Omdat de vlinder hierdoor doet denken aan een kolibrie heeft de soort de Nederlandstalige naam kolibrievlinder gekregen. In de Nederlandse taal wordt de kolibrievlinder ook wel meekrapvlinder, onrustvlinder of onrust genoemd. De naam meekrapvlinder slaat op de plant waarvan de meeste rupsen leven; meekrap. De naam onrustvlinder is te danken aan het zeer snelle vlieggedrag.

Bron: Wikipedia Foto: Tonnie Verheijden

Jonge grote bonte Specht

Een jonge grote bonte Specht was aan het scharrelen op de grond in de Gaas.

De meest algemene specht van Nederland. Zowel mannetje als vrouwtje roffelen op takken met een korte snelle roffel om territorium en paarband te versterken. Grote bonte spechten hakken in bomen een nestholte uit met een rond gat. Ze hebben een voorkeur voor zachte houtsoorten, zoals berken. Spechten kunnen op die manier hakken doordat de hersenen in een soort schokdempers zijn ingekleed. In de nestholte worden de eieren gewoon op het hout gelegd

Zwart-witte vogel met een rode ‘broek’. In de vlucht vallen de grote witte schoudervlekken op. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd. Deze ontbreekt bij het vrouwtje. Jonge spechten hebben een rood petje en worden daarom soms aangezien voor een middelste bonte specht. Maar het rood van de middelste is een tint lichter en de middelste bonte specht heeft een meer wit ‘gezicht, zo ontbreekt er een zwarte rand langs de kruin. De grote bonte specht heeft de voor spechten kenmerkende golvende vlucht.

Hun roffel en hun roep (‘tsjik’) is vaak te horen in oudere bossen, parken en tuinen.

Bron vogelbescherming.nl – foto: Tonnie Verheijden

 

Distelvlinder (Vanessa)


De Distelvlinders zijn dit jaar volop aanwezig in de Gaas.

Distelvlinders hebben oranje vleugels met zwarte vlekken, en aan de vleugelpunten van de voorvleugels een zwart gebied met witte vlekken. Aan de onderzijde van de achtervleugels zitten 5 ronde vlekken, die soms een blauw hart hebben en oogvlekken worden. De onderzijde is verder bruin met wit lijntjes in een fijn vakjespatroon. De spanwijdte is 5 tot 6 centimeter. De distelvlinder lijkt door zijn oranje-zwarte tekening enigszins op parelmoervlinders, maar onderscheidt zich makkelijk door de zwart met witte vleugelpunten.

De imago van de distelvlinder drinkt graag nectar van allerlei bloemen, en is bijvoorbeeld vaak te vinden op vlinderstruiken in tuinen. In tegenstelling tot de verwante atalanta komt de distelvlinder echter niet af op rottend fruit.

De distelvlinder gebruikt vooral soorten vederdistel (Cirsium) als waardplant, met een voorkeur voor akkerdistel, kale jonker en speerdistel. Maar ook vele andere planten zoals klit (Arctium), alsem (Artemisia), bernagie (Borago officinalis)[1], slangenkruid (Echium vulgare), zonnebloem (Helianthus), en brandnetel (Urtica) worden gebruikt.

De eitjes worden door het vrouwtje een voor een op de bovenzijde van het blad afgezet. De voorkeur gaat uit naar planten in de volle zon in een lage vegetatie. De rups gaat vervolgens naar de onderzijde van het blad, spint dat met een paar losse draden bij elkaar en voedt zich met het blad. Alleen harde nerven blijven over. Als het blad op is, maakt hij een nieuw spinsel op dezelfde plant en eet daar verder. Zo blijven er rommelige kaalgevreten samengebonden bladeren met uitwerpselen achter. Alleen in het laatste stadium loopt de rups “vrij” over de waardplant. Uiteindelijk verpopt hij meestal op een plant in de buurt van de waardplant, weer in een los spinsel. De totale levensfase als rups duurt ongeveer een maand.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Koninginnenpage

Vandaag heel veel soorten vlinders op de vlinderstruiken in de tuin, met als topper de Koninginnenpage.

De voorvleugellengte van de Koninginnenpage is: 32-41 mm. De grondkleur van boven- en onderkant van de vleugels is geel. Op de bovenkant van voor- en de achtervleugel bevindt zich langs de achterrand een doorlopende, brede blauwe band met zwarte randen. Opvallend zijn de staartjes aan de achtervleugel en de rode stip in de binnenrand hoek.

Gelijkende soorten
De koningspage heeft op de bovenkant van de voorvleugel geen brede blauwe band, maar een aantal zwarte strepen.

Een vrij schaarse standvlinder die vooral in de zuidelijke helft van het land wordt waargenomen. De laatste jaren komen er ook steeds meer meldingen uit de rest van Nederland, tot aan de Waddeneilanden toe. Het aantal exemplaren per jaar wisselt.

Diverse biotopen, waaronder ruderale terreinen en kruidenrijke graslanden.

Waardplanten
Vooral peen (ook de gecultiveerde vorm); daarnaast ook andere schermbloemigen, zoals bevernel, engelwortel, pastinaak en venkel.

Vliegtijd en gedrag
Eind april-half juni en begin juli-half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een partiële derde generatie in oktober. De koninginnenpage wordt vaak bij heuveltoppen gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten; dit gedrag wordt ‘hill-topping’ genoemd.

Levenscyclus
Rups: half mei-half juni en half augustus-eind september. Bij gevaar wordt een rood vorkvormig orgaan uitgestulpt waarmee de rups een doordringende stank verspreidt. De soort overwintert als pop in de kruidlaag.

Bron: www.vlindernet.nl
Foto’s: Tonnie Verheijden

Hommelreus

We hebben een bezoekje gehad van een Hommelreus in de tuin.

De hommelreus of hommelzweefvlieg (Volucella bombylans) is een tweevleugelige uit de familie van de zweefvliegen (Syrphidae).

De lengte is 11 tot 15 millimeter en de kleur is zwart, het lichaam is sterk behaard, en de vlieg lijkt uiterlijk sprekend op een hommel. Net als hommels heeft de zweefvlieg witte en oranje kleuren, maar deze zijn zeer variabel. Er bestaan van deze soort verschillende variaties die elk een andere hommel nabootsen. De variatie die de tuinhommel nabootst wordt Volucella bombylans var. plumata genoemd, en is zwart met een witte achterlijfspunt, oranje band rond de voorzijde van het achterlijf en gele beharing rond het borststuk. Onder andere de variatie V. b. var. bombylans bootst de steenhommel na. Deze vlieg is geheel zwart maar heeft net als de steenhommel een oranje achterlijfspunt. Er komen echter ook kleurencombinaties voor die niet bestaan bij hommels. Een dergelijk sterke gelijkenis van een onschuldige soort met een gevaarlijke (stekende) soort wordt ook wel mimicry genoemd.

Het verschil met hommels is niet moeilijk af te leiden. Zo hebben hommels verticale langwerpige ogen en vrij lange antennes. Zweefvliegen hebben grotere en rondere ogen die elkaar bijna raken, en juist korte antennes, die bovendien anders dan bij de hommels sterk geveerd zijn. Dit is tevens een belangrijk verschil met veel andere op hommels gelijkende zweefvliegen. Daarnaast hebben vliegen nooit stuifmeelkorfjes die veel (maar niet alle) hommels wel hebben. Ook de vlucht verraadt de zweefvlieg; hommels maken meer zigzaggende, slome vluchten, zweefvliegen zijn juist snel en schichtig.

De hommelreus leeft als volwassen insect van nectar; de larven zijn meer worm-achtig en leven in ondergrondse nesten van andere insecten waar ze zich voeden met dood materiaal. Opmerkelijk is dat dit meestal de nesten van de steen- en tuinhommel zijn, juist de door de imago ge-imiteerde soorten, maar soms worden ook nesten van wespen als de Duitse wesp gebruikt. Het is onbekend hoe de larve in het nest overleeft, daar wespen agressieve insectenverdelgers zijn, en hommels gooien indringers direct het nest uit. De hommelreus is te zien van mei tot augustus en komt vooral voor bij meer beboste gebieden of bosranden. De soort is in Nederland en België vrij algemeen en komt daarnaast voor in grote delen van Europa, Centraal-Azië en Noord-Amerika.

Bron: Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

Scheefbloemwitje

Vandaag weer het Scheefbloemwitje bij ons in de Tuin, zo te zien was ze eitjes aan het afzetten.

Kenmerken vlinder

Verschillen tussen het klein koolwitje en het scheefbloemwitje: bij het klein koolwitje is de zwarte vlek op de voorvleugel rond, bij het scheefbloemwitje rechthoekig en groot. Achterkant middenstip is hol; trek je een gedachtenlijntje tussen die vlek en de rand van de zwarte puntvlek, dan loopt die schuin naar boven bij het klein koolwitje en min of meer recht bij het scheefbloemwitje; de vleugelpunt van het klein koolwitje is spits, bij het scheefbloemwitje is hij meer afgerond. Voor de onderkant: bij het scheefbloemwitje is de bestuiving aan beide kanten van de middencel ongeveer even dicht, terwijl die bij het klein koolwitje aan de onderrand van de middencel duidelijk verdicht is.

Zeldzaamheid

Het scheefbloemwitje is een relatief nieuwe soort in Nederland. In 2015 werden de eerste waarnemingen gedaan in Limburg. In 2016 werd de soort op veel meer plaatsen in Limburg aangetroffen. In 2017 kwamen de waarnemingen weer wat noordelijker uit Limburg tot aan Arcen en ook uit Twente (waarschijnlijk vanuit het oosten binnen gekomen). Op 25 september 2017 werd het scheefbloemwitje gefotogafeerd in Wageningen. Uit de publicaties over de sterke uitbreiding in Duitsland komt wel naar voren dat vooral de septembergeneratie een sterke trekdrang heeft en juist dan de grootste afstanden aflegt. Deze waarneming uit Wageningen is zo’n 70 km verwijderd van Arcen en zelfs 90 vanaf de locatie bij Enschede. Het lijkt waarschijnlijk dat ook tussen deze plaatsen scheefbloemwitje aanwezig is.

Waarneming goedgekeurd door de Vlinderstichting

Bron: vlinderstichting.nl  Foto’s: Tonnie Verheijden

kleine Vuurvlinder

kleine Vuurvlinder

Kleine Vuurvlinder in de Gaas tegengekomen.

De kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas) is een vlinder uit de familie Lycaenidae (de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes).

De bovenzijde van de voorvleugel is oranje met onregelmatige zwarte vlekken en een bruine rand. Aan de onderzijde is de tekening vergelijkbaar, maar met een licht grijsbruine bruine rand en lichter oranje. De achtervleugel is aan de bovenzijde bruin met wat zwarte vlekken en een oranje veld bij de achterrand. De onderzijde is licht grijsbruin en heeft een heel onduidelijke tekening: hieraan is de soort in Europa gemakkelijk van andere vuurvlinders te onderscheiden. Bij sommige ondersoorten buiten Europa is echter een duidelijke oranje band langs de achterrand van de vleugel te herkennen.

Het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke exemplaren is niet zo groot: aan de onderzijde zijn de zwarte vlekjes op de voorvleugel van het vrouwtje groter en meer ongeordend.

In zeer kleine aantallen worden exemplaren waargenomen met een lichtgele of witte in plaats van het oranje tekening.

Met een voorvleugellengte van rond de 13 millimeter is de kleine vuurvlinder een vrij kleine vlinder.

Bron Wikipedia   Foto Tonnie Verheijden