Distelvlinder (Vanessa)


De Distelvlinders zijn dit jaar volop aanwezig in de Gaas.

Distelvlinders hebben oranje vleugels met zwarte vlekken, en aan de vleugelpunten van de voorvleugels een zwart gebied met witte vlekken. Aan de onderzijde van de achtervleugels zitten 5 ronde vlekken, die soms een blauw hart hebben en oogvlekken worden. De onderzijde is verder bruin met wit lijntjes in een fijn vakjespatroon. De spanwijdte is 5 tot 6 centimeter. De distelvlinder lijkt door zijn oranje-zwarte tekening enigszins op parelmoervlinders, maar onderscheidt zich makkelijk door de zwart met witte vleugelpunten.

De imago van de distelvlinder drinkt graag nectar van allerlei bloemen, en is bijvoorbeeld vaak te vinden op vlinderstruiken in tuinen. In tegenstelling tot de verwante atalanta komt de distelvlinder echter niet af op rottend fruit.

De distelvlinder gebruikt vooral soorten vederdistel (Cirsium) als waardplant, met een voorkeur voor akkerdistel, kale jonker en speerdistel. Maar ook vele andere planten zoals klit (Arctium), alsem (Artemisia), bernagie (Borago officinalis)[1], slangenkruid (Echium vulgare), zonnebloem (Helianthus), en brandnetel (Urtica) worden gebruikt.

De eitjes worden door het vrouwtje een voor een op de bovenzijde van het blad afgezet. De voorkeur gaat uit naar planten in de volle zon in een lage vegetatie. De rups gaat vervolgens naar de onderzijde van het blad, spint dat met een paar losse draden bij elkaar en voedt zich met het blad. Alleen harde nerven blijven over. Als het blad op is, maakt hij een nieuw spinsel op dezelfde plant en eet daar verder. Zo blijven er rommelige kaalgevreten samengebonden bladeren met uitwerpselen achter. Alleen in het laatste stadium loopt de rups “vrij” over de waardplant. Uiteindelijk verpopt hij meestal op een plant in de buurt van de waardplant, weer in een los spinsel. De totale levensfase als rups duurt ongeveer een maand.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Koninginnenpage

Vandaag heel veel soorten vlinders op de vlinderstruiken in de tuin, met als topper de Koninginnenpage.

De voorvleugellengte van de Koninginnenpage is: 32-41 mm. De grondkleur van boven- en onderkant van de vleugels is geel. Op de bovenkant van voor- en de achtervleugel bevindt zich langs de achterrand een doorlopende, brede blauwe band met zwarte randen. Opvallend zijn de staartjes aan de achtervleugel en de rode stip in de binnenrand hoek.

Gelijkende soorten
De koningspage heeft op de bovenkant van de voorvleugel geen brede blauwe band, maar een aantal zwarte strepen.

Een vrij schaarse standvlinder die vooral in de zuidelijke helft van het land wordt waargenomen. De laatste jaren komen er ook steeds meer meldingen uit de rest van Nederland, tot aan de Waddeneilanden toe. Het aantal exemplaren per jaar wisselt.

Diverse biotopen, waaronder ruderale terreinen en kruidenrijke graslanden.

Waardplanten
Vooral peen (ook de gecultiveerde vorm); daarnaast ook andere schermbloemigen, zoals bevernel, engelwortel, pastinaak en venkel.

Vliegtijd en gedrag
Eind april-half juni en begin juli-half september in twee generaties. In warme jaren vliegt er mogelijk een partiële derde generatie in oktober. De koninginnenpage wordt vaak bij heuveltoppen gezien waar mannetjes en vrouwtjes elkaar ontmoeten; dit gedrag wordt ‘hill-topping’ genoemd.

Levenscyclus
Rups: half mei-half juni en half augustus-eind september. Bij gevaar wordt een rood vorkvormig orgaan uitgestulpt waarmee de rups een doordringende stank verspreidt. De soort overwintert als pop in de kruidlaag.

Bron: www.vlindernet.nl
Foto’s: Tonnie Verheijden

Hommelreus

We hebben een bezoekje gehad van een Hommelreus in de tuin.

De hommelreus of hommelzweefvlieg (Volucella bombylans) is een tweevleugelige uit de familie van de zweefvliegen (Syrphidae).

De lengte is 11 tot 15 millimeter en de kleur is zwart, het lichaam is sterk behaard, en de vlieg lijkt uiterlijk sprekend op een hommel. Net als hommels heeft de zweefvlieg witte en oranje kleuren, maar deze zijn zeer variabel. Er bestaan van deze soort verschillende variaties die elk een andere hommel nabootsen. De variatie die de tuinhommel nabootst wordt Volucella bombylans var. plumata genoemd, en is zwart met een witte achterlijfspunt, oranje band rond de voorzijde van het achterlijf en gele beharing rond het borststuk. Onder andere de variatie V. b. var. bombylans bootst de steenhommel na. Deze vlieg is geheel zwart maar heeft net als de steenhommel een oranje achterlijfspunt. Er komen echter ook kleurencombinaties voor die niet bestaan bij hommels. Een dergelijk sterke gelijkenis van een onschuldige soort met een gevaarlijke (stekende) soort wordt ook wel mimicry genoemd.

Het verschil met hommels is niet moeilijk af te leiden. Zo hebben hommels verticale langwerpige ogen en vrij lange antennes. Zweefvliegen hebben grotere en rondere ogen die elkaar bijna raken, en juist korte antennes, die bovendien anders dan bij de hommels sterk geveerd zijn. Dit is tevens een belangrijk verschil met veel andere op hommels gelijkende zweefvliegen. Daarnaast hebben vliegen nooit stuifmeelkorfjes die veel (maar niet alle) hommels wel hebben. Ook de vlucht verraadt de zweefvlieg; hommels maken meer zigzaggende, slome vluchten, zweefvliegen zijn juist snel en schichtig.

De hommelreus leeft als volwassen insect van nectar; de larven zijn meer worm-achtig en leven in ondergrondse nesten van andere insecten waar ze zich voeden met dood materiaal. Opmerkelijk is dat dit meestal de nesten van de steen- en tuinhommel zijn, juist de door de imago ge-imiteerde soorten, maar soms worden ook nesten van wespen als de Duitse wesp gebruikt. Het is onbekend hoe de larve in het nest overleeft, daar wespen agressieve insectenverdelgers zijn, en hommels gooien indringers direct het nest uit. De hommelreus is te zien van mei tot augustus en komt vooral voor bij meer beboste gebieden of bosranden. De soort is in Nederland en België vrij algemeen en komt daarnaast voor in grote delen van Europa, Centraal-Azië en Noord-Amerika.

Bron: Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

Scheefbloemwitje

Vandaag weer het Scheefbloemwitje bij ons in de Tuin, zo te zien was ze eitjes aan het afzetten.

Kenmerken vlinder

Verschillen tussen het klein koolwitje en het scheefbloemwitje: bij het klein koolwitje is de zwarte vlek op de voorvleugel rond, bij het scheefbloemwitje rechthoekig en groot. Achterkant middenstip is hol; trek je een gedachtenlijntje tussen die vlek en de rand van de zwarte puntvlek, dan loopt die schuin naar boven bij het klein koolwitje en min of meer recht bij het scheefbloemwitje; de vleugelpunt van het klein koolwitje is spits, bij het scheefbloemwitje is hij meer afgerond. Voor de onderkant: bij het scheefbloemwitje is de bestuiving aan beide kanten van de middencel ongeveer even dicht, terwijl die bij het klein koolwitje aan de onderrand van de middencel duidelijk verdicht is.

Zeldzaamheid

Het scheefbloemwitje is een relatief nieuwe soort in Nederland. In 2015 werden de eerste waarnemingen gedaan in Limburg. In 2016 werd de soort op veel meer plaatsen in Limburg aangetroffen. In 2017 kwamen de waarnemingen weer wat noordelijker uit Limburg tot aan Arcen en ook uit Twente (waarschijnlijk vanuit het oosten binnen gekomen). Op 25 september 2017 werd het scheefbloemwitje gefotogafeerd in Wageningen. Uit de publicaties over de sterke uitbreiding in Duitsland komt wel naar voren dat vooral de septembergeneratie een sterke trekdrang heeft en juist dan de grootste afstanden aflegt. Deze waarneming uit Wageningen is zo’n 70 km verwijderd van Arcen en zelfs 90 vanaf de locatie bij Enschede. Het lijkt waarschijnlijk dat ook tussen deze plaatsen scheefbloemwitje aanwezig is.

Waarneming goedgekeurd door de Vlinderstichting

Bron: vlinderstichting.nl  Foto’s: Tonnie Verheijden

kleine Vuurvlinder

kleine Vuurvlinder

Kleine Vuurvlinder in de Gaas tegengekomen.

De kleine vuurvlinder (Lycaena phlaeas) is een vlinder uit de familie Lycaenidae (de kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes).

De bovenzijde van de voorvleugel is oranje met onregelmatige zwarte vlekken en een bruine rand. Aan de onderzijde is de tekening vergelijkbaar, maar met een licht grijsbruine bruine rand en lichter oranje. De achtervleugel is aan de bovenzijde bruin met wat zwarte vlekken en een oranje veld bij de achterrand. De onderzijde is licht grijsbruin en heeft een heel onduidelijke tekening: hieraan is de soort in Europa gemakkelijk van andere vuurvlinders te onderscheiden. Bij sommige ondersoorten buiten Europa is echter een duidelijke oranje band langs de achterrand van de vleugel te herkennen.

Het verschil tussen de mannelijke en vrouwelijke exemplaren is niet zo groot: aan de onderzijde zijn de zwarte vlekjes op de voorvleugel van het vrouwtje groter en meer ongeordend.

In zeer kleine aantallen worden exemplaren waargenomen met een lichtgele of witte in plaats van het oranje tekening.

Met een voorvleugellengte van rond de 13 millimeter is de kleine vuurvlinder een vrij kleine vlinder.

Bron Wikipedia   Foto Tonnie Verheijden

Bruin Zandoogje

Een Bruin Zandoogje tegengekomen in de Gaas, eerst komen de Bruine Zandoogjes en daarna de Oranje Zandoogjes.

Het bruin zandoogje heeft een voorvleugellengte van 21 tot 28 millimeter. Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje. Bij het mannetje is de bovenkant van de vleugels bruin. In de vleugelpunt van de voorvleugel bevindt zich een zwarte “oogvlek”. Bij het vrouwtje bevindt zich op de voorvleugel een oranje veld, en heeft de oogvlek meestal een witte kern. Verwarring met het oranje zandoogje is mogelijk, maar bij het vrouwtje van het bruin zandoogje zit geen oranje op de achtervleugel, of heel weinig, terwijl bij het oranje zandoogje de achtervleugel oranje met een bruine rand is.

De achterrand van de achtervleugel is gekarteld.

De onderkant van de achtervleugel is lichtbruin, de buitenste helft is meestal wat lichter van kleur. In dit wittige veld bevinden zich enkele kleine zwarte soms oranje omrande vlekjes. Bij het oranje zandoogje is de onderzijde van de achtervleugel duidelijk contrastrijker. De bovenvleugel is oranje met een bruine rand, en in de vleugelpunt een zwarte oogvlek met een of soms twee witte puntjes.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Steenrode Heidelibel


Steenrode Heidelibel
De steenrode Heidelibellen vliegen weer over de heide in de Gaas.

&nbspDe steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum) is een echte libel uit de familie van de korenbouten (Libellulidae). De libel wordt 35 à 40 mm lang en komt voor in vrijwel heel Europa. In Nederland is het een algemene soort in de nazomer. Bijzondere kenmerken zijn de gestreepte poten en een ‘hangsnor’.

De poten van de steenrode heidelibel zijn zwart met gele strepen. Dijen van de voorste poten meestal tweekleurig: zwart-geel, soms met nog een zwart veegje in het geel. Het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) loopt langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘hangsnor’). Het achterlijf van het mannetje heeft een subtiele, maar meestal duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf, meestal iets donkerder dan de bruinrode heidelibel, maar lichter dan de bloedrode heidelibel. De zijkant van het borststuk verkleurt naar bruin, met vage lichtere delen. Jonge mannetjes en vrouwtjes hebben een geel achterlijf, later bij de vrouwtjes verkleurend tot bruin. Aan de zijkant van het achterlijf staan zwarte streepjes, die geen doorlopende streep vormen. De legschede van het vrouwtje is opvallend zichtbaar en staat in zijaanzicht haaks van het achterlijf af.
De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 35 en 40 millimeter; de larve is 15-19 mm lang.
De vliegtijd van de steenrode heidelibel is in de nazomer van begin juni tot half november, met een piek van eind juli tot half september.

De steenrode heidelibel heeft een eenjarige levenscyclus en overwintert als ei. De eieren komen in het voorjaar uit, waarna de larven zich snel ontwikkelen. De larven zijn jagers en leven tussen waterplanten op een modderige bodem van kleine ongewervelden als muggenlarven. Uitsluipen vindt plaats van begin juni tot eind september, met een piek van eind juli tot begin september. Jonge dieren zijn in de wijde omtrek van het voortplantingswater aan te treffen, zittend en jagend op kleine insecten in ruige vegetatie. Geslachtsrijpe mannetjes vliegen bij het water en gaan regelmatig zitten op uitstekende stengels in de oevervegetatie. Ze speuren naar vrouwtjes voor de paring. Mannetjes die dichtbij komen worden meestal verjaagd. De eitjes worden vliegend in tandempositie door wippende bewegingen van het onderlijf afgezet, in het water of op modder vlak bij het water. Soms worden meerdere ei-afzettende tandems op één plaats tegelijk waargenomen.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Groene Specht

De groene Specht laat zich weer zien in de Gaas, ondanks dat de lucht grauw was, is het toch mooi om zien te zien.

De groene specht (Picus viridis) is een vogel die tot de familie spechten (Picidae) behoort. Het is een talrijke en wijdverbreide standvogel in het grootste deel van Europa en komt ook voor in het uiterste westen van Azië. De specht is eenvoudig te herkennen aan zijn groene verenkleed, zijn zwart met rode koptekening en zijn typische, luide roep. De groene specht voedt zich voornamelijk met mieren, die hij voornamelijk op de grond zoekt. In tegenstelling tot veel andere spechtensoorten roffelt de groene specht slechts weinig op bomen.

Het verenkleed van een juveniel is matter en bleker gekleurd dan die van een volwassene. De kop, hals en onderzijde zijn bedekt met donkere onregelmatige vlekken en strepen en de bovenzijde en vleugels hebben witte vlekken. De rode kopkap is vaal en vaak bedekt met grijze vlekken. De donkere koptekening is vaak moeilijk te onderscheiden. Bij vliegensvlugge mannetjes kunnen al enkele rode veren in de baardstreep te zien zijn.

De eerste rui begint reeds enkele weken na het uitkomen van de eieren en is na ongeveer vier maanden afgerond. In de late herfst hebben juvenielen al het verenkleed van een volwassen vogel.

Bron: Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Schaapskudde in de Gaas

hdrpl
De Schapen van de Lachende Ooi zijn weer aan het grazen op de Heide in de Gaas.
Overdag is er een Herder met zijn of haar honden aanwezige op de heide, u ben altijd welkom om gezellig een praatje met de Herders te komen maken of gewoon met z’n alle naar de schaapjes kijken.
Naast de Lachende Ooi is er nu ook een mooie educatieve Boerderij gerealiseerd waar je straks naar toe kunt in je vrije tijd.
 
           Educatieve Boerderij 
Natuur, ontmoeten, leren en beleven
Op de grens van Loon op Zand en Tilburg, midden in landschapspark Pauwels, staat de Educatieve Boerderij Pauwelshoeve.
Hier bouwen vrijwilligers aan een natuur-en-mensen-ontmoetingsplek in een gevarieerd landschap.
Een oude stal wordt verbouwd tot ruimte voor cursussen, workshops en excursies. Rondom de hoeve komen volop bloemrijke graslanden en bloemrijke akkers.
Het heet niet voor niets Educatieve Boerderij, want schoolklassen en andere bezoekers kunnen er van alles leren over duurzaamheid, natuur, landschap, cultuurhistorie, en natuurlijk over wol en schapen.
De boerderij is ook de thuisbasis van de schaapskuddes van De Lachende Ooi. De schapen vormen met hun begrazing een van de pijlers van natuurbeheer in de omgeving.
Dit wordt een mooie plek voor recreatie en beleving. Kom kijken, doe mee!
Nu is er nog niet veel te doen voor bezoekers. De educatieve ruimte en de moestuin, de bloemenweides en boomgaard, het is allemaal in de maak.
Houd onze website www.educatieveboerderij.nl  in de gaten voor de activiteiten die er al  plaatsvinden.
Bron: Educatieve boerderij – Bart van Ekkendonk   Foto Tonnie Verheijden

Knobbelzwaan

De Knobbelzwaan is in Love.

De knobbelzwaan (Cygnus olor) is een soort zwaan. Hij is een vertrouwde verschijning in plantsoenen en op meren. Hij leeft voornamelijk van waterplanten, waar hij met zijn lange hals naar grondelt, maar hij eet ook gras.

De knobbelzwaan kan een spanwijdte van 2,40 meter bereiken en is daarmee de grootste watervogel. Hij is 140 tot 160 cm groot. Met zijn lange nek kan hij ver onder water reiken. Met 10 tot 12 kg behoort de knobbelzwaan tot de zwaarste vliegende dieren. Hij is ongeveer even groot als de wilde zwaan, maar veel groter dan de kleine zwaan. De knobbelzwaan is wit en heeft een oranjerode snavel. De kop en hals hebben een lichtgele schijn. De onbevederde huid aan de snavelwortel en om het oog, onder de voorhoofdsknobbel, is zwart. Die voorhoofdsknobbel is bij mannetjes heel opvallend. Ook de poten zijn zwart. De ruglijn is sterk gebogen. De hals wordt bijna altijd in een sierlijke S-vorm gehouden. Die hals heeft het grootste aantal halswervels van alle vogels. De kop wordt altijd iets omlaag gebogen. De snavel is relatief breed. Er is weinig maar duidelijke seksuele dimorfie(het mannetje en het vrouwtje zien er bijna hetzelfde uit). Het mannetje is groter, hij heeft ook een zwaardere nek. Zoals reeds gezegd heeft het mannetje een knobbel boven de snavel. In de lente zwelt die knobbel aan en de snavel wordt roder.

De knobbelzwaan maakt gorgelende en blazende geluiden, al zijn die niet vaak te horen. In de vlucht maken de vleugels een laag, zingend geluid dat wordt veroorzaakt door de wind die erlangs strijkt. De knobbelzwaan die op het nest wordt gestoord, maakt een sissend of knorrend geluid. Onvolwassen vogels maken een zwak, fluitend geluid. De contactroep is een zelden gehoord meeuwachtig ga-oh.

Bron Wikipedia  Foto Tonnie Verheijden