Roodporiehoutzwammen

In de Gaas Roodporiehoutzwammen tegen gekomen op een dode Berk.

De roodporiehoutzwam (Daedaleopsis confragosa, synoniem: Trametes rubescens) is een paddenstoel uit de familie Polyporaceae. De soort ontleent zijn naam aan het feit dat de poriën rood verkleuren bij kneuzing.

De soort komt zowel alleenstaand als in groepen voor, soms ook met tussenafstanden achtereen op stronken of takken van loofbomen. De paddenstoel zit vooral op wilgen (het gehele jaar door). Het is een vaak geziene soort die veel in duinen en moesrasbosjes voorkomt. Op dunne takken lijkt de zwam het hout in een omklemmende greep te houden.

Het vruchtlichaam heeft een doorsnede van maximaal 15 cm en is afgeplat en schelpvormig. Soms is er een basale bult aanwezig op de plaats van de aanhechting. Het oppervlak is concentrisch gegroefd en onregelmatig, straalsgewijs gerimpeld. Er zijn lichte en donkere zones in roodbruine tinten zichtbaar. De rand is vaak wit.

De buisjes zitten niet in een duidelijk te onderscheiden laag. De poriën zijn rond en bleek, maar worden later meer langgerekt en lamelachtig en geleidelijk roodbruin. Bij kneuzing worden ze rood en met een druppel ammonialila. De sporen zijn wit.

Bij jonge exemplaren is het vlees witachtig, later wordt het meer roodachtig of lichtbruin. Het is kurkachtig of houtig.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Gele Trilzwam

De Gele Trilzwam opgemerkt door ons Buurvrouwtje in de Gaas.

De gele trilzwam (Tremella mesenterica) is een trilzwam uit de familie Tremellaceae.

De gele trilzwam is het gehele jaar door, maar vooral in voorjaar en late herfst, te vinden op takken van loofbomen en struiken. De soort is algemeen in België en Nederland.

Het vruchtlichaam heeft een doorsnede van 1 tot 5 cm en is onregelmatig hersenachtig geplooid. Het komt tevoorschijn uit spleten in boomschors en is eerst geel en later bleekgeel gekleurd. In droge toestand verandert de substantie van geleiachtig tot kraakbeenachtig taai en ook donkerder van kleur.

Bron: Wikipedia  Foto’s Tonnie Verheijden

Kuifmeesjes

Het koppeltje kuifmeesjes komt net als het vorige jaar weer in de tuin.

De kuifmees is 10,5 tot 12 cm lang, even lang als de pimpelmees. Hij heeft een opvallende kuif die fijn zwart-wit getekend is en een zwart-witte tekening op het gezicht. De kuif kan plat over de kruin gelegd worden. Het verenkleed is aan de bovenzijde grijsbruin en de onderzijde is vuilwit en wat geelachtig aan de flanken. De voorkop is wit met een gebogen zwarte oogstreep. Verder heeft het dier een zwarte halsband, een donkere snavel en donkerbruine poten

Het nest wordt gebouwd in een holte. Het legsel bestaat uit vijf tot acht witte eieren met vrij grote, kastanjebruine vlekken, die alleen door het wijfje worden bebroed. Er wordt tweemaal per jaar gebroed.

De kuifmees komt in het overgrote deel van Europa het hele jaar voor, waaronder in Nederland en België. Uitzonderingen zijn het Verenigd Koninkrijk, Ierland en IJsland.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Huismus

De huismus is 160 tot 165 mm lang en weegt 24 tot 39,5 gram. Het mannetje heeft een grijze kruin en grijze wangen, een zwarte keel en borst, een zwart masker met witte stip achter het oog, een witte streep over de vleugels en in het broedseizoen een zwarte snavel. Het vrouwtje heeft een minder contrastrijke tekening dan het mannetje, een lichte oogstreep, enige tekening op rug en vleugels en een effen lichtgrijze/bruine borst. In de ruitijd is hun verenkleed soms nauwelijks meer te herkennen als van een huismus.

Soorten die uiterlijk op de huismus lijken en daarmee verward kunnen worden, zijn de heggenmus, de ringmus, het vrouwtje van de vink en de Spaanse mus. Deze laatste komt zelden voor in Nederland en België.

Mannetjes zoeken vanaf januari geschikte nestgelegenheid en richten dat met droog gras enigszins in. Dat is meestal een aantal nestplekken vlak bij elkaar. Een mannetje dat zijn nestbouw begonnen is, is herkenbaar aan de zwart verkleurde snavel, die vanaf januari is te zien. Zijn de potentiële nesten aantrekkelijk genoeg, dan wordt er een vrouwtje bij gezocht door de lokroep te uiten zoals die op deze pagina te horen is, maar ook door in het nest te zitten en daar vandaan geluiden te laten horen als van jonge mussen. Al vanaf januari tonen vrouwtjes hun interesse in bepaalde nesten met bijbehorend mannetje. De uiteindelijke keus voor een bepaald nest kan op zich laten wachten. Onder anderen doordat een baltsend mannetje een makkelijke prooi is en om die reden zomaar verdwenen kan zijn. Het vrouwtje kiest de uiteindelijke plek uit de aangeboden plaatsen. Vanaf dat moment bouwt het mussenpaar gezamenlijk het nest verder af. Daarin legt het vrouwtje 1 tot 9 eieren, maar vaak 4. Na ongeveer 12 dagen broeden komen de eieren uit. Als de kuikens uit het ei komen, zijn ze nog naakt en blind (zie foto) en wegen niet meer dan 3 gram. Zodra het even donker en dan weer licht wordt – zoals gebeurt wanneer de ouder vogel in de invlieg-opening van het nest komt zitten – sperren ze de nog relatief grote bek wijd open in de hoop voedsel te krijgen. Gedurende deze eerste week worden de kuikens door beide ouders met klein dierlijk voedsel gevoerd. Afhankelijk van de beschikbaarheid van insecten wordt er eerder of later over gegaan op plantaardig voedsel. Hoe langer insecten aan de nestjongen gevoerd worden, hoe meer kans dat de jongen gezond en in leven blijven. Na ongeveer twee weken vliegen de jongen uit. Ze blijven hierna nog enige tijd afhankelijk van de zorg van de ouders en worden nog regelmatig gevoerd. De jongen zijn in staat voor hun eigen voedsel te zorgen zodra de snavels hard genoeg zijn om zaden mee te pellen. In Nederland zijn de eerste uitgevlogen jonge huismussen, een aantal jaar op rij, begin april waargenomen.

Bron: Wikipedia Foto: Tonnie Verheijden

 

Kuifmeesje

Ook het Kuifmeesje laat zich weer zien in de Gaas.

De kuifmees is 10,5 tot 12 cm lang, even lang als de pimpelmees. Hij heeft een opvallende kuif die fijn zwart-wit getekend is en een zwart-witte tekening op het gezicht. De kuif kan plat over de kruin gelegd worden. Het verenkleed is aan de bovenzijde grijsbruin en de onderzijde is vuilwit en wat geelachtig aan de flanken. De voorkop is wit met een gebogen zwarte oogstreep. Verder heeft het dier een zwarte halsband, een donkere snavel en donkerbruine poten.

Het nest wordt gebouwd in een holte. Het legsel bestaat uit vijf tot acht witte eieren met vrij grote, kastanjebruine vlekken, die alleen door het wijfje worden bebroed. Er wordt tweemaal per jaar gebroed.
De kuifmees is een talrijke broedvogel die voornamelijk in naaldbossen broedt, soms ook in groepen naaldbomen, die tussen loofbomen en in parken staan. In tegenstelling tot de koolmees en pimpelmees is de kuifmees zelden in tuinen te zien, alleen als er naaldbomen in de omgeving aanwezig zijn.

Zijn voedsel bestaat in de zomer uit insecten, insectenlarven, spinnen en andere kleine diertjes. In het najaar en de winter eet hij vooral zaden van naaldbomen. De kuifmees nestelt in zelfgemaakte holen in vermolmd of heel zacht hout.

Bron: Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Boomklever

De boomklevers zijn weer in de tuinen te vinden in de Gaas, 2 Boomklevers in de struiken misschien wel een paartje.
De boomklever is een enigszins gedrongen en actieve vogel met een krachtige puntige snavel. Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel.
De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid.
In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda’s worden aangeboden.

De lengte is 10 tot 20 cm. De bovenzijde en bovenkop zijn blauwgrijs.
De onderzijde is isabelkleurig met roodbruine flanken. Bij het volwassen mannetje is de achterflank scherp begrensd oranjebruin en hierdoor is het al bij onvolwassen exemplaren mogelijk om het geslacht te bepalen. Verder heeft hij een brede zwarte oogstreep met lichte wangen en keel.
Bij het volwassen vrouwtje is de achterflank minder scherp begrensd oranjebruin. Verder is het identiek aan het mannetje.

De boomklever klimt en daalt schoksgewijs langs de boomstam, zonder op zijn staart te steunen.
De Scandinavische ondersoort heeft aan de onderzijde lichtere en zelfs geheel witte onderdelen.
De vlucht van de gedrongen vogel is golvend en snel terwijl de korte staart in het midden zwart is.
Buiten de broedtijd bevindt de boomklever zich wel in gezelschap van mezen.

Een helder fluitend ‘twiet-twiet-twiet’ en een meesachtig ‘tsit’.
Bij opwinding een schel trillend ‘tirr’. De zang is een luid ‘tuwiehe-tuwiehe’,
ook wel omschreven als een kwelend ‘tu-tu-tu’ (dat enigszins aan de zang van een nachtegaal doet denken).
Deze zang gaat over in ‘kwie-kwie’ en haastig ‘twet-twet-twet’. Aan zijn zang kan de boomklever eenvoudig worden herkend.

Licht loof- en gemengd bos met ondergroei, vooral met oude en hoge bomen.
Ook in parken en lanen en in de winter ook op de voedertafel.

Op het menu staan veel insecten, zaden, noten, vruchten, graan en bessen.
Harde noten zet hij tussen het boomschors vast en hamert ze dan van bovenaf stuk.
Grotere insecten worden met de snavel in stukjes geknipt. De boomklever legt ook voorraden aan.

Bron; Wikipedia Foto’s Tonnie Verheijden

Grote Bonte Specht

De Grote Bonte Spechten zijn ook een trouwe bezoekers in de tuin elke dag komen ze wel keertje voor het vetpotje.

Net als alle spechten is de grote bonte specht een holenbroeder. De nestholte wordt aan het einde van een kalenderjaar door het mannetje uitgehakt in een zachtere houtsoort van een volgroeide boom. Hij vertoont geen voorkeur voor een bepaalde boomsoort en maakt het nest in zowel naald- als loofbomen. Ook oude nestholtes worden soms gebruikt, al nestelt de grote bonte specht nooit in een nestkast. De nestholte is doorgaans vijftien tot dertig centimeter diep en heeft een met houtsnippers beklede bodem.

Wanneer een mannetje rond december een nieuwe nestholte heeft uitgehakt of een oude heeft uitgekozen, begint hij met zijn geroffel die dient als hofmakerij. Als een vrouwtje in het territorium deze roffel beantwoordt, volgt er verder baltsgedrag. Deze omvat onder andere dreigende bewegingen, zoals het opzetten van de kopveren.

In april en mei worden vier tot zeven crème-witte eieren gelegd, die in elf tot dertien dagen worden uitgebroed. De jongen worden drie tot vier weken door beide ouders gevoerd, alvorens ze uitvliegen. In de tweede helft van deze periode is dit nest eenvoudig te ontdekken, daar de jongen dicht bij het vlieggat continu om de ouders roepen.

Bron: Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Gewone Oeverlibel

De gewone oeverlibel is een echte libel uit de familie van de korenbouten (Libellulidae). Het is de grootste en meest algemene oeverlibel in Nederland.

De gewone oeverlibel heeft een pijlvormig achterlijf: het begint breed, eindigt in een punt en heeft rechte zijkanten. Het gezicht is geel tot bruin. De pterostigmata zijn zwart. Uitgekleurde mannetjes hebben een blauwberijpt achterlijf met een duidelijke zwarte punt. Aan de buitenranden van de segmenten staan gele streepjes, die bij oude mannetjes verdwijnen onder nog meer blauwe berijping. Het borststuk is bruin, zonder blauwe berijping. Jonge mannetjes die nog geen berijping op het achterlijf hebben, zien eruit als vrouwtjes: de grondkleur van het lichaam (zowel achterlijf als borststuk en gezicht) is geel. Op de bovenkant van het achterlijf lopen twee dikke zwarte lengtestrepen.
De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 44 en 50 millimeter en de spanwijdte is 70 tot 80 mm; de larve is 19-29 mm lang.

De vliegtijd van de gewone oeverlibel is van begin mei tot eind september, met de hoogste aantallen in juni, juli en de eerste helft van augustus.

De eieren vallen bij het afzetten afzonderlijk in het water en kleven door de omgevende gellaag direct aan voorwerpen in het water. De eieren zijn klein (0,50 x 0,35 mm), ovaalrond en bruin van kleur. De larven leven in de modder of tussen plantenresten op de bodem en overwinteren twee of drie keer. Uitsluipen gebeurt van begin mei tot half augustus, met een piek van half juni tot eind juli. Jonge oeverlibellen kunnen ver van het water wegvliegen en zijn op allerlei plaatsen te vinden, vaak zittend op kale grond of in korte vegetatie. Hier jagen ze tot ze geslachtsrijp zijn en naar het water terugkeren. Geslachtsrijpe mannetjes houden de wacht vanaf warme zitplaatsen langs de waterkant, zoals kale stukken grond, stenen of boomstronken. Vanaf deze zitplaatsen maken ze vluchten laag over het water, waarbij andere mannetjes worden verjaagd en vrouwtjes worden gegrepen voor de paring. Het vrouwtje zet haar eitjes af door vliegend met de achterlijfspunt op het wateroppervlak te tikken. Het mannetje vliegt meestal dicht bij haar in de buurt, om concurrenten te verjagen. De paring vindt ook weleens op de grond plaats.

Bron:Wikipedia  Foto: Tonnie Verheijden

Bloedrode Libel

 

Over de heide in de Gaas vliegen nog vele libelle rond, waaronder ook de Bloedrode Heidelibel vrouwtje.

De bloedrode heidelibel is veruit de algemeenste ‘rode’ heidelibel met geheel zwarte poten. De zeer zeldzame Kempense heidelibel heeft ook zwarte poten, maar een anders gevormd achterlijf, met druppelvormige vlekjes. Vrouwtjes zwarte heidelibel kunnen op het eerste gezicht lijken op vrouwtjes of jonge mannetjes bloedrode heidelibel, maar zijn altijd herkenbaar aan de tekening op de zijkant van het borststuk: een brede zwarte band met drie gele vlekjes.
Bruinrode en steenrode heidelibellen zijn iets groter, hebben gele strepen op de poten en een andere achterlijfsvorm (mannetjes).
Mannetjes vuurlibel kunnen op uitgekleurde mannetjes bloedrode heidelibel lijken, maar hebben een breed en afgeplat achterlijf, rode poten, deels rode vleugeladers, blauwgrijze onderkant van de ogen en grotere gele vlekken in de achtervleugels.

Bron: Vlinderstichtig.nl  Foto: Tonnie Verheijden

Bruine Winterjuffer

Bruine winterjuffer vlieg over de heide in de gaas, je moet goed kijken en wachten tot hij vliegt om te zien waar hij gaat zitten.

De bruine winterjuffer (Sympecma fusca) is een kleine Europese pantserjuffer, die vrij algemeen in België en in Nederland voorkomt. De bruine winterjuffer is de enige libel die als volwassen dier de winter doorkomt, en daardoor ook reeds vroeg in het voorjaar rondvliegt.
De volwassen bruine winterjuffer (imago) is een zeer atypische pantserjuffer voor wat betreft de kleur, glans en houding.

Het belangrijkste gemeenschappelijke kenmerk met de andere pantserjuffers is de vorm van het pterostigma, dat veel langer is dan breed, zo lang als twee onderliggende cellen. In tegenstelling tot de echte pantserjuffers liggen de pterostigma van voor- en achtervleugels niet op dezelfde afstand van de vleugeltop waardoor ze elkaar niet overlappen als het dier met gesloten vleugels zit.

Het lichaam is maximaal 3 cm lang, lichtbruin met donkerbruine tot bronskleurige vlekken op de bovenzijde. Er is nooit een blauwe berijping op het achterlijf aanwezig. De achterlijfaanhangsels van de mannetjes zijn tangvormig en opvallend lichtgekleurd, de onderste bijna half zo lang als de bovenste.

De bruine winterjuffer plooit in rusthouding de vleugels over het achterlijf zoals de meeste juffers, maar met beide vleugels strak tegen elkaar aan één zijde. De andere pantserjuffers houden hun vleugels altijd half gespreid.

Bron wikipedia    foto’s Tonnie Verheijden